Als u overweegt om een hond aan te schaffen, moet u een keuze zien te maken uit de veelheid aan hondenrassen. Het is immers belangrijk dat u een hond kiest die bij u past. Een goede start is om u eens te verdiepen in de verschillende rasgroepen.

Rasgroepen

Er bestaan meer dan 330 rassen die door de Fédération Cynologique Internationale, of FCI, erkend zijn. De FCI is een wereldwijde organisatie die de registratie van hondenrassen en stambomen bijhoudt. Al deze rassen zijn onderverdeeld in tien rasgroepen. Deze onderverdeling is gedaan op afkomst, uiterlijke kenmerken en gebruik.

Hieronder treft u een overzicht aan van de rasgroepen met een aantal belangrijke kenmerken. Daarbij moet u wel bedenken dat er natuurlijk veel individuele verschillen zijn en dat niet elke hond van een bepaald ras elk kenmerk in dezelfde mate bezit. Op de website van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied vindt u een overzicht van de rasgroepen en de rassen die hieronder vallen.

1) Herdershonden en veedrijvers

Onder deze groep vallen drie secties:

  • honden die gefokt zijn om kuddes te hoeden, zoals de Hollandse Herder,
  • honden die gebruikt worden om vee te drijven zoals de Border Collie, 
  • honden die de kudde bewaken, zoals de Kuvasz.

De hoeders en veedrijvers zijn erg actief en hebben veel beweging nodig. Ze zijn op hun baas gericht en hechten zich sterk aan hun eigen gezin. Ze reageren snel en kunnen soms nerveus zijn. Drijvers en hoeders houden ervan om achter bewegende voorwerpen, mensen of dieren aan te jagen. Bij de opvoeding moet u er dan ook veel aandacht aan besteden om dit najagen onder controle te houden. Ze leren snel en vinden het leuk om iets samen met de baas te doen. Ze zijn vaak waaks.

Kiest u een hond uit deze groep dan zult u ervoor moeten zorgen dat u hem bezig houdt, zowel fysiek als geestelijk. Honden uit echte werklijnen zijn niet erg geschikt als huishond, zij hebben zoveel energie en werklust dat er ook echt flink mee gewerkt moet worden om probleemgedrag zoals het najagen van fietsers, het drijven van kinderen of slopen en agressie te voorkomen. Honden uit showlijnen zijn meestal rustiger van aard. Ga dus bij aanschaf altijd na uit wat voor foklijn de hond komt. Herders hebben een goede socialisatie nodig om niet nerveus te worden van nieuwe dingen en mensen.

De bewakers zijn doorgaans rustige maar zelfstandige en zelfverzekerde honden, waaks en terughoudend tegenover vreemden. Om deze honden te houden moet u stevig in uw schoenen staan, vaak zowel figuurlijk als letterlijk want ze zijn groot en sterk. Ze zullen niet onvoorwaardelijk gehoorzamen omdat ze gefokt zijn om zelf beslissingen te nemen. Ze moeten goed gesocialiseerd worden, vooral met vreemde mensen.

2) Pinchers, Schnauzers, Molossers en Sennenhonden

Pinchers en Schnauzers zijn gefokt voor het verdelgen van ongedierte en bewaking van het huis. Uitzonderingen daarop zijn de Dobermann Pincher die gefokt is als waak- en verdedigingshond, en de Riesenschnauzer die een veedrijver is.

Pinchers en schnauzers zijn actieve, zelfstandige honden met veel jachtinstinct, gehecht aan hun gezin en beschermend van aard. Ze kunnen veel blaffen en wantrouwig zijn tegenover vreemden, iets om rekening mee te houden als u in een flat of gehorig huis woont. Een goede socialisatie met mensen maar ook met andere dieren is belangrijk, net als een duidelijke leiding. Ze zijn slim en leren snel.

Molossers, de dogachtigen, werden vroeger gebruikt om met legers mee te trekken, als verdediger, lastendrager en hulp bij de jacht. Een aantal soorten werd ook gebruikt voor gevechten met honden, beren of stieren. Voorbeelden zijn de Bordeaux Dog, Duitse Dog en Cane Corso.

Molossers zijn grote, zware en sterke honden. Ze zijn rustig, zelfstandig en zelfverzekerd en hechten zich aan het gezin. Molossers hebben een grote bijtkracht, bij het vechten bijten ze toe en blijven dan vasthouden in plaats van steeds opnieuw te bijten. Doorgaans laten ze zich niet snel kwaad maken en ze zijn vrij ongevoelig voor pijn. De meeste molossers leren niet zo snel. De molosser heeft een duidelijke, zelfverzekerde baas nodig met natuurlijk overwicht. Uiteraard heeft fysieke dwang bij deze rassen geen enkel effect.

De Zwitserse Sennenhonden zijn gefokt om vee te drijven, karren te trekken en het huis te bewaken. Sennenhonden zijn waaks en zelfstandig. Ze leren vrij snel, vooral de twee kleinere soorten (Appenzeller Sennenhond en Entlebucher Sennenhond). Deze twee zijn ook behoorlijk actief en houden van samenwerken, terwijl de twee grote soorten, Grote Zwitserse Sennenhond en Berner Sennenhond, doorgaans rustiger, zelfstandiger en bedachtzamer zijn.

3) Terriërs

Terriërs zijn gefokt om te jagen op ongedierte en schadelijk wild en dit zelf te doden. Ze zijn onder te verdelen in hoogbenige terriërs die boven de grond jagen, zoals de Airedale Terriër, laagbenige terriërs zoals de Cairn Terriër die de prooi tot in het hol volgen, bulldog-achtige terriërs als de Bull Terriër en de Staffordshire Bull Terriër die voor gevechten gebruikt werden en terriërs van het dwerghondentype zoals de Yorkshire Terriër die meer als gezelschapshond bedoeld zijn.

Terriërs zijn actief, moedig en vasthoudend. Ze hebben veel energie en het zijn echte jagers. Het zijn onafhankelijke, eigenwijze honden die niet altijd even goed met andere honden omgaan. Veel terriërs zijn waaks en blaffen graag, wat hen minder geschikt maakt voor een flat. Bijna allemaal houden ze van graven, ook in uw tuin! Een duidelijke, consequente opvoeding is noodzakelijk, ook voor de kleine terriërrassen.

Vooral bij de bulldog-achtige terriërs (de Amerikaanse Staffordshire Terriër, de Staffordshire Bull Terriër (‘Engelse Stafford’) en de Bullterriër) kunnen de reuen op volwassen leeftijd onverdraagzaam zijn tegenover andere honden. Tijdens de opvoeding moet extra aandacht worden gegeven aan socialisatie met andere honden om te zorgen dat dit geen probleem wordt tijdens het uitlaten. Naar mensen en vooral hun eigen gezin toe zijn dit juist erg aanhankelijke honden.

4) Dashonden (Teckels)

Deze honden zijn gefokt om te jagen onder de grond. Er zijn drie vachttypen, kortharig, ruwharig en langharig, en van elk vachttype bestaan drie formaten, Standaard, Dwerg en Kaninchen.

Van oorsprong zijn ze moedig, blaffen ze graag, willen ze graag werken en zijn het zelfstandige honden die snel leren. Hun jachtinstinct is groot. Er zijn veel verschillen tussen de lijnen die voor het showen zijn gefokt en werklijnen: showlijnen zijn vaak rustiger en sneller onder de indruk. Ook is er karakterverschil tussen de vachttypen en formaten, waarbij de langharige honden wat zachter en eerder nerveus zijn en de ruwharigen vaak wat feller, en zijn de kleinste formaten (Dwerg en Kaninchen) wat sneller angstig.

De socialisatie is erg belangrijk, vooral ook met kinderen en andere honden. Als hier te weinig aandacht aan wordt geschonken wordt de hond vaak nerveus of vertoont angstagressie.

Laat u niet misleiden door het formaat van de Dashond: een goede en consequente opvoeding is noodzakelijk! De combinatie van jachtinstinct en zelfstandigheid maakt dat vooral het commando ‘hierkomen’ goed geoefend moet worden en dat extra aandacht moet worden gegeven aan het niet najagen van bijvoorbeeld eenden of fietsers.

5) Spitsen en oertypen

De spitsen zijn poolhonden, gebruikt om te trekken, te waken en te jagen, Scandinavische jachthonden, Scandinavische herdershonden en de Europese en Aziatische keeshonden. Oertypen zijn nog hele oorspronkelijke honden die al heel lang bestaan, zoals de Pharaohond. De honden uit deze rasgroep zijn vaak erg onafhankelijk en veel rassen zijn echte jagers.

Sledehonden zoals de Husky en de Malamute zijn echte groepsdieren en kunnen slecht tegen alleen zijn. Ze hebben het liefst een andere hond als gezelschap. Ze zijn meestal verdraagzaam naar andere honden en wat afstandelijk naar mensen. Het zijn zeker geen knuffeldieren en veel honden uit deze groep willen graag hoog in de rangorde staan. Het zijn daarnaast felle jagers die daardoor moeilijk los kunnen lopen.

De Scandinavische jachthonden, bijvoorbeeld de Noorse Elandhond, zijn eigenzinnig en hebben een groot uithoudingsvermogen. Scandinavische herders zijn actief, gehecht aan hun gezin en leren snel. Voorbeelden zijn de Finse Lappenhond en de IJslandse Hond.

Keeshonden zijn waaks, blaffen veel, zijn gehecht aan hun gezin en wantrouwend tegenover vreemde mensen. Ze leren snel. De Aziatische keeshondachtigen zoals de Akita Inu of de Chow Chow zijn onafhankelijk en vrij afstandelijk, ze leren snel maar zijn niet gemakkelijk te trainen door hun eigenzinnigheid. De Europese keeshonden, bijvoorbeeld de Dwergkeeshond, zijn wat aanhankelijker.

Oertypen, bijvoorbeeld de Basenji of de Podenco Ibenco, zijn honden die erg onafhankelijk en eigenzinnig zijn. Ze zijn in huis rustig maar buiten actief. Vooral de Podenco-soorten hebben erg veel jachtpassie en zijn daardoor moeilijk buiten los te laten zonder dat ze er vandoor gaan.

6) Lopende honden en zweethonden

Deze honden worden gebruikt voor de jacht, waarbij ze het wild opsporen en opdrijven. Ze zijn op te delen in drijvende honden, die het wild opdrijven (bijvoorbeeld de Beagle), zweethonden zoals de bloedhond die bloedsporen volgen, en twee overige verwante rassen: de Dalmatische Hond en de Rhodesian Ridgeback.

De honden uit deze rasgroep hebben een goede neus en een sterk ontwikkeld jachtinstinct. Drijvende honden en zweethonden zijn echte roedeldieren en zijn niet zo goed alleen te houden. Het liefst wonen ze met andere honden samen. Ze zijn zelfstandig en gaan buiten hun neus achterna. Dit kan een probleem zijn bij het uitlaten, een goede opvoeding met extra aandacht voor het hierkomen is noodzakelijk. Naar hun gezin zijn ze aanhankelijk.

De Dalmatische Hond en de Rhodesian Ridgeback zijn sterke, actieve honden met een eigen wil. Beide kunnen ze onverdraagzaam zijn naar andere honden en ze zijn vaak onstuimig naar mensen, vooral als ze jong zijn. Ze zijn niet zo eenvoudig op te voeden en hebben veel socialisatie nodig.

7) Voorstaande honden

Voorstaande honden zijn jachthonden die het wild, vaak vogels, opsporen en vervolgens aanwijzen door in een bepaalde houding te blijven staan. Als de jager dit aangeeft, mag de hond het wild opstoten zodat de jager het kan schieten en daarna kan de hond het wild apporteren. Voorbeelden uit deze groep zijn de Pointer, Duitse Staande, de Drentsche Patrijshond en de Ierse Setter.

Vaak zijn dit gevoelige honden die zich aan hun gezin hechten. Ze hebben vrij veel beweging nodig en willen graag werken met de baas. Uiteraard hebben ze veel jachtinstinct, dus het hierkomen moet goed worden aangeleerd en u moet oppassen dat ze niet hun neus achterna gaan. Ze zijn vaak wat eigenzinnig maar leren snel.

8) Retrievers, Spaniëls en Waterhonden

Dit zijn honden die het wild ophalen als de jager het heeft geschoten. Spaniëls stoten bovendien het wild op. Waterhonden zijn erin gespecialiseerd om vissers te helpen en om waterwild te apporteren.

Retrievers, zoals de Labrador Retriever en de Golden Retriever, willen graag samen met de baas werken en zijn meestal dol op apporteren. Ze worden wat later volwassen dan veel andere rassen.

Spaniëls, bijvoorbeeld Cocker Spaniël of Springer Spaniël, zijn wat eigenzinniger en onafhankelijker en hebben soms een sterke jachtpassie.

Waterhonden (Portugese Waterhond, Wetterhoun) zijn doorgaans goede zwemmers, werken graag samen met de baas maar kunnen ook zelfstandig en waaks zijn.

Honden uit deze groep zijn sociaal en aanhankelijk en hebben veel uithoudingsvermogen. De meeste van deze rassen zijn bovendien dol op water. Leer hen om alleen op commando het water in te gaan en let op dat zij niet achter eenden of ander wild aan gaan.

9) Gezelschapshonden

De gezelschapshonden komen van oorsprong uit allerlei andere rasgroepen maar zijn vervolgens gefokt om de mens gezelschap te houden

De naam zegt het al: de honden uit deze groep zijn gehecht aan hun baas en houden vaak niet van alleen zijn maar willen bij hun baas in de buurt blijven. Dit kan een probleem vormen bij het leren alleen thuis te blijven. Ze zijn speels, aanhankelijk en vaak gevoelig. Ook kunnen ze waaks zijn en veel blaffen. Voorbeelden van deze groep zijn de Franse Bulldog, de Poedel, de Maltezer en de Cavalier King Charles Spaniel.

10) Windhonden

Windhonden, bijvoorbeeld de Whippet, Afghaanse Windhond of Ierse Wolfshond, zijn jachthonden die vooral op zicht jagen in plaats van op hun neus zoals de andere jachthonden. Ze worden gebruikt om het wild op te sporen, te jagen en te doden.

Deze honden zijn vaak rustig en aanhankelijk in huis, maar eenmaal buiten erg actief en zelfstandig. Ze hebben erg veel jachtinstinct. Ze reageren direct op beweging en zijn als ze eenmaal gaan jagen moeilijk terug te roepen.

Windhonden vallen onder de ‘lange honden’, waarmee wordt bedoeld dat zij snel genoeg zijn om wild te achtervolgen en te vangen. Het is verboden om met lange honden te jagen. Ook is volgens de wet is een hondenbezitter verplicht om te voorkomen dat zijn dier in het veld dieren vangt. Dit is met een windhond lastig te voorkomen. U zult de hond dus veel aan de lijn moeten houden. Eventueel kunt u de hond leren om naast de fiets te lopen zodat u hem toch genoeg beweging kunt geven.