Sluiten

Kattenziekte

Kattenziekte is een heel besmettelijke aandoening die wordt veroorzaakt door een parvovirus. Katten kunnen er erg ziek van worden en ondanks behandeling gaan ze er vaak aan dood. De enige manier om katten goed te beschermen is door vaccinatie. Honden en katten kunnen deze ziekte op elkaar overdragen. Mensen kunnen de ziekte niet krijgen.

In het kort

Kattenziekte wordt veroorzaakt door een parvovirus en wordt daarom ook wel ‘kattenparvo’ genoemd. Infectie met dit virus zorgt meestal voor plotselinge sloomheid, koorts, gebrek aan eetlust, braken en diarree en vaak gaat de kat binnen korte tijd dood. Soms gaan kittens ook plotseling dood zonder dat ze voor die tijd ziekteverschijnselen hadden.

Het virus kan enkele weken worden uitgescheiden in de ontlasting en het braaksel van een besmette kat. Daarnaast kan het virus maandenlang in de omgeving overleven. Het gevolg is dat één zieke kat heel veel andere katten kan infecteren. Het is dus een zeer besmettelijke aandoening.

Een kat met kattenziekte moet dan ook in isolatie worden verzorgd om verspreiding van het virus naar andere dieren tegen te gaan. Behandeling bestaat vooral uit symptoombestrijding. Zelfs met intensieve behandeling overleeft een groot deel van de katten de ziekte niet.

Kattenziekte kan goed worden voorkomen door vaccinatie. Honden en katten ziek kunnen worden van elkaars parvovirus. Dit betekent dat vaccineren tegen parvo voor beide diersoorten heel belangrijk is.

Oorzaak en naamgeving

Kattenziekte is bekend onder verschillende namen, waarbij het handig is om te weten dat ‘feline’ kat betekent:

  • Feline parvovirus (FPV)
    • Het virus dat kattenziekte veroorzaakt is een parvovirus. Vaak is dit het feline parvovirus (FPV), maar inmiddels komt bij katten ook het canine parvovirus type 2 voor (CPV-2), dat de besmettelijke parvo ziekte bij de hond veroorzaakt.
  • Feline panleukopenie virus
    • Bij kattenziekte ontwikkelt de kat een tekort aan alle soorten witte bloedcellen (= panleukopenie).
  • Feline infectieuze enteritis
    • Kattenziekte wordt gekenmerkt door een besmettelijke (= infectieuze) ontsteking van de darmen (= enteritis).

Manieren van besmetting

Een kat met kattenziekte scheidt het parvovirus in grote hoeveelheden uit in zijn ontlasting (poep) en braaksel. Door contact met deze uitwerpselen en door zich te wassen komt het virus ook op zijn eigen vacht terecht.

Katten kunnen op een directe manier besmet raken als ze met hun slijmvliezen in contact komen met een andere kat of hond die parvovirus uitscheidt.

Indirecte verspreiding van het virus is ook mogelijk, door contact met besmette voorwerpen of een besmette omgeving. Denk hierbij aan gedeelde voer- of drinkbakjes, borstels, krabpalen en mandjes, maar bijvoorbeeld ook aan schoenzolen, kleding of handen van mensen of aan honden. Dit betekent dat ook binnen gehouden katten deze ziekte kunnen krijgen!

Tot slot kan overdracht van het kattenziekte virus naar kittens al in de baarmoeder optreden, wanneer een drachtige poes is geïnfecteerd met het virus.

Welke katten lopen risico?

Kattenziekte kan voorkomen bij katten van alle leeftijden, maar wordt het vaakst gezien bij kittens (waaronder kittens die worden gevaccineerd!).

In asielen / dierenopvangcentra komt de ziekte echter ook regelmatig voor bij volwassen dieren, omdat zij bij binnenkomst vaak (lange tijd) niet gevaccineerd zijn.

Gezonde, volwassen katten die gevaccineerd zijn tegen kattenziekte zijn meestal goed beschermd tegen deze aandoening.

Niet gevaarlijk voor mensen

Mensen kunnen deze ziekte niet krijgen.

De term kattenziekte bij mensen wordt soms gebruikt voor de ziekte toxoplasmose. Toxoplasmose wordt veroorzaakt door een parasiet, die via besmette kattenontlasting kan worden overgedragen op mensen.

Gevaarlijk voor kat én hond

Bij honden komt ook een parvovirus voor, dat bij de hond ongeveer dezelfde verschijnselen geeft als een parvovirus infectie bij de kat. Er is gebleken dat honden en katten elkaar kunnen besmetten met beide parvovirussen en dat ze ziek kunnen worden van elkaars virus.

Vroeger hadden honden en katten hun eigen type parvovirus; honden het canine parvovirus CPV en katten het feline parvovirus FPV. Ze konden niet ziek worden van elkaars virus. Dit is door de jaren heen veranderd.

Nog steeds komt bij de kat FPV verreweg het vaakst voor en bij de hond CPV, maar infectie met deze virussen is nu bij beide diersoorten mogelijk.

Van hond naar kat:

      • De belangrijkste drie typen honden parvovirus kunnen tegenwoordig bij de kat wel degelijk zorgen voor ziekte.

Van kat naar hond:

      • Is een kat geïnfecteerd met een van de honden parvovirus varianten, dan kan de kat daarmee op zijn beurt weer honden besmetten. Dit kan ook zonder dat de kat ziekteverschijnselen vertoont.
      • De katten parvovirus variant blijkt niet alleen bij katten, maar ook bij honden voor ziekte te kunnen zorgen.

Samenvattend betekent dit dat honden en katten ziek kunnen worden van elkaars parvovirus.

Vaccinatie tegen parvo is dus heel belangrijk voor zowel honden als katten!

Risico op een kattenziekte uitbraak

Het kattenziekte virus is zeer besmettelijk. Het komt vaak al in de ontlasting terecht nog voordat het dier symptomen heeft en de uitscheiding van het virus kan tot een paar weken na infectie aanhouden. Het is een heel hardnekkig parvovirus dat bestand is tegen veel verschillende desinfectiemiddelen. Daarnaast kan een parvovirus maandenlang buiten het lichaam overleven (perioden van 10 maanden en zelfs langer dan een jaar worden genoemd).

Als katten niet goed gevaccineerd zijn, dan kan de aanwezigheid van één kat met kattenziekte in de buurt dus gemakkelijk zorgen voor een flinke uitbraak van kattenziekte. Ook bij binnen gehouden katten!

In asielen / dierenopvangcentra in Nederland komen meerdere uitbraken van kattenziekte per jaar voor. Dit komt doordat daar grote aantallen katten met onbekende vaccinatiegeschiedenis en gezondheid dichtbij elkaar worden gehouden.

De enige manier om een kat te beschermen tegen kattenziekte is door vaccinatie.

Symptomen

Verschijnselen van kattenziekte treden meestal op binnen enkele dagen tot maximaal 2 weken na besmetting met het virus (meestal binnen 2-7 dagen). Soms gaan kittens ook plotseling dood zonder dat ze voor die tijd ziekteverschijnselen hadden. Is de kat door vaccinatie goed beschermd tegen kattenziekte, dan wordt hij meestal niet of nauwelijks ziek.

Als een kitten in de baarmoeder wordt besmet met het kattenziekte virus, dan kan er abortus optreden. Blijft het kitten wel leven, dan wordt het meestal geboren met hersenafwijkingen. Kittens zullen dan extreem veel moeite gaan hebben met staan en lopen. Dit gebrek aan coördinatie is meestal blijvend, maar niet levensbedreigend. Wel zullen deze katten voor de rest van hun leven binnen of in een omheinde tuin moeten worden gehouden. Ook kan het nodig zijn dat er thuis aanpassingen worden gedaan, zodat ze makkelijk bij hun eten, drinken, mandje en kattenbak kunnen komen. Verder moet worden voorkomen dat ze zich bezeren (zoals van een trap vallen).

Deze hersenschade met bijbehorende symptomen wordt ook gezien als een kitten in zijn eerste levensmaand wordt besmet met kattenziekte. Dit komt doordat de hersenen dan nog volop in ontwikkeling zijn.

Vindt besmetting plaats van een kitten ouder dan 3-4 weken of van een volwassen kat, dan vallen vaak als eerste sloomheid, koorts en gebrek aan eetlust op.

Pas wat later treden maagdarmkanaal problemen op. Deze ontstaan doordat het virus de slijmvliezen van de (dunne) darmen aantast. Misselijkheid (op te merken door kwijlen, smakken en/of een slechte eetlust), braken en diarree (waterdun, slijmerig en/of bloederig) kunnen zo ernstig zijn dat de kat in korte tijd sterk uitdroogt en steeds slomer en slapper wordt.

Het virus beschadigt niet alleen de darmen, maar ook het beenmerg en de lymfeknopen. Dit zorgt er onder andere voor dat er een tekort aan witte bloedcellen ontstaat. Deze verzwakking van het afweersysteem maakt de kat vatbaarder voor andere ziekten. In een latere fase nemen ook de bloedplaatjes (die nodig zijn voor bloedstolling) en de rode bloedcellen (die zorgen voor het zuurstoftransport) in aantal af.

Een groot deel van de katten met kattenziekte overlijdt. Dat gebeurt soms heel plotseling als de beschadigde darmen hebben geleid tot bloedvergiftiging.

Samengevat kun je bij kattenziekte de volgende symptomen zien:

  • Abortus
  • Coördinatieproblemen door hersenschade (alleen bij infectie tijdens dracht of tijdens de eerste levensmaand van het kitten)
  • Sloomheid
  • Koorts
  • Gebrek aan eetlust
  • Misselijkheid
  • Braken
  • Diarree
  • Overige ziekteverschijnselen als gevolg van een verzwakt afweersysteem
  • (Plotselinge) sterfte

Diagnose

Treden bovenstaande symptomen op bij een kitten of niet (goed) gevaccineerde kat, dan kan er dus sprake zijn van kattenziekte. Voor bevestiging is meer onderzoek nodig.

Ontlastingsonderzoek op parvovirus
Door middel van ontlastingsonderzoek kan de dierenarts bepalen of er sprake is van een parvovirus infectie. Lukt het niet om ontlasting te verzamelen, dan lijkt braaksel ook een goede optie. Er bestaat een sneltest, maar die geeft niet altijd zekerheid. Het beste is om de ontlasting ook te laten opsturen naar het laboratorium (voor PCR-onderzoek). In de tussentijd moet de kat in isolatie blijven om mogelijke verspreiding van het virus tegen te gaan.

Controle op wormen
Dieren met kattenziekte hebben vaak ook parasieten in hun maagdarmkanaal. Deze zorgen samen met het parvovirus voor nog meer schade. De aanwezigheid van wormen kan met ontlastingsonderzoek worden vastgesteld.

Bloedonderzoek
Bloedonderzoek naar rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes, eiwitten en zouten kan helpen bij het stellen van de diagnose. Daarnaast geeft het belangrijke informatie over de prognose en behandeling.

Intensieve behandeling

Om een kat met kattenziekte een kans op overleving te geven, is intensieve behandeling nodig. Deze kan bestaan uit:

  • Infuustherapie (vocht, zouten en suikers)
  • Antibiotica
  • Ter bestrijding van ziekten die vrij spel krijgen doordat het virus het afweersysteem heeft aangetast (secundaire infecties).
  • Pijnstilling
  • Anti-misselijkheidsmedicatie
  • Sondevoeding
  • Vitamine B complex
  • Bloedtransfusies
  • Ontworming (in geval van wormbesmetting)

Helaas heeft behandeling lang niet altijd succes; een groot deel van de katten sterft als gevolg van kattenziekte.

Geïsoleerde verpleging

Het parvovirus is enorm besmettelijk. Een kat met kattenziekte zal daarom in quarantaine moeten worden gehouden. Door de kat te isoleren, wordt de kans op overdracht van het virus naar andere dieren verkleind.

Ook indirect contact tussen de zieke kat en andere katten en honden moet worden voorkomen. Zo mogen bijvoorbeeld voerbakjes, kattenbakken en borstels niet zomaar worden uitgewisseld. Deze moeten eerst grondig worden gereinigd en gedesinfecteerd.

Verder is het belangrijk dat de verzorger van de zieke kat plastic handschoenen en aparte (wegwerp) overkleding en -schoenen draagt. Deze kleding blijft in de verpleegruimte van de kat. Tot slot is grondig handen wassen na contact met de zieke kat noodzakelijk. Dit doodt het virus niet, maar vermindert de hoeveelheid virus wel.

Hoe lang de ontlasting van een kat het virus blijft bevatten is niet precies duidelijk. Zowel bij de kat als bij de hond wordt het parvovirus vooral de eerste week na infectie in grote aantallen uitgescheiden, daarna neemt de hoeveelheid virus af.

Of een kat nog diarree of andere symptomen heeft zegt niets over het wel of niet uitscheiden van het parvovirus. Ook een negatieve uitslag van een sneltest is in dit geval niet betrouwbaar. De aanwezigheid en hoeveelheid van het virus in de ontlasting kan wel worden bepaald door middel van laboratorium ontlastingsonderzoek (PCR-onderzoek).

Reiniging en desinfectie

Een kat met kattenziekte scheidt zeker in de eerste dagen na infectie enorme hoeveelheden virus uit. Het virusvrij krijgen van alle besmette materialen en omgeving vraagt flink wat aandacht. Hat kattenziekte virus is namelijk bestand tegen veel soorten desinfectiemiddelen, waaronder 70% alcohol.

Chloor of kaliumperoxymonosulfaat is wel in staat om het virus te doden. Deze middelen zijn echter alléén effectief als er geen viezigheid aanwezig is zoals ontlasting, voer- of zeepresten. Dit zogenaamd ‘organisch materiaal’ inactiveert het desinfectiemiddel. Allereerst is daarom grondige reiniging met een standaard schoonmaakmiddel nodig, waarna het schoonmaakmiddel goed moet worden weggewassen. Pas daarna kan het desinfectiemiddel worden ingezet.

Wassen op 90 graden Celsius gevolgd door drogen in de droogtrommel op hoge temperatuur is een alternatief.

Niet overal kan deze behandeling worden toegepast. In die gevallen zal het virus niet kunnen worden gedood, maar kan er door grondige schoonmaak wel voor worden gezorgd dat de hoeveelheid virus wordt verminderd. Het verwijderen van viezigheid zorgt er daarnaast voor dat het virus minder goed beschermd is tegen uitdroging en daardoor minder lang in de omgeving kan overleven.

Wanneer mag de kat uit isolatie?

Het is verstandig om een kat met kattenziekte vanaf het vaststellen van de diagnose in ieder geval 2 weken in isolatie te houden. Hierna lijkt het veilig om de kat uit quarantaine te laten, op voorwaarde dat:

  1. De kat goed wordt gewassen met een gewone kattenshampoo.
    • Het feit dat de kat geen virus meer uitscheidt, betekent helaas niet dat hij niet meer voor besmetting van andere dieren kan zorgen. De kans is namelijk groot dat zijn vacht nog virusdeeltjes bevat. Voordat de kat uit quarantaine mag, zal hij goed moeten worden gewassen met een kattenshampoo. Dit doodt het virus niet (daarvoor is een agressief middel als chloor nodig, wat niet op de kat zelf mag worden gebruikt!), maar vermindert het aantal virusdeeltjes wel.
  2. Andere huisdieren voldoende zijn beschermd door middel van vaccinatie.
    • Het is heel belangrijk dat alle katten én honden waarmee de kat thuis in contact gaat komen goed gevaccineerd zijn en daarmee beschermd zijn tegen parvovirus.

Prognose

De prognose van dieren met kattenziekte is matig tot slecht. Ondanks intensieve behandeling overlijdt ongeveer 30-50% van de zieke katten. Bij katten in asielen / dierenopvangcentra ligt dit percentage vaak zelfs rond de 80%.

Preventie

De enige manier om een kat te beschermen tegen kattenziekte is door vaccinatie. Vaccinatie kan ziekte nooit 100% voorkomen, maar maakt de kans wel zo klein mogelijk.

Kattenziekte vaccins zijn gelukkig heel effectief en bescherming treedt snel op. Deze vaccinatie behoort daarom, samen met de niesziekte vaccinatie, tot de zogenaamde kernvaccinaties.

Vaccinatie is niet alleen voor buitenkatten heel belangrijk, maar óók voor binnen gehouden katten.

Vaccinatie van jong tot oud

Katten waarmee gefokt gaat worden horen door middel van vaccinatie beschermd te zijn tegen kattenziekte. Dit voorkomt dat kittens in de baarmoeder worden besmet met het kattenziekte virus. Daarnaast zal een gevaccineerde moederpoes beschermende antilichamen doorgeven aan haar kittens. Vaccinatie moet wel plaatsvinden ruim voordat er met de poes wordt gefokt. Is de poes al drachtig of geeft ze melk aan kittens, dan moet vaccinatie worden uitgesteld.

Het advies voor kittens is een set aan basisvaccinaties: De eerste vaccinatie op een leeftijd van 8 à 9 weken; de tweede rond 12 weken leeftijd; en de derde rond 16 weken leeftijd.

TIP: Wil je een kitten aanschaffen en heb je een nestje op het oog? Ga dan na of de ouderdieren en zeker de moederpoes goed gevaccineerd zijn tegen kattenziekte en niesziekte. Dit voorkomt veel problemen! Verder heeft het de voorkeur als het kitten zijn eerste 2 vaccinaties al heeft gehad voordat hij bij u in huis komt. Bekijk voor meer tips de kitten-checklist.

Na de drie kittenvaccinaties wordt de volgende vaccinatie tegen kattenziekte meestal aangeraden op 6 tot 12 maanden leeftijd. Het vervolgadvies is iedere 3 jaar een herhalingsvaccinatie tegen kattenziekte (met tussendoor de jaarlijkse herhalingsvaccinatie tegen niesziekte). Een andere goede optie is om het vaccinatieschema voor de volwassen kat te baseren op titerbepalingen (onderzoek naar de aanwezigheid van antilichamen tegen kattenziekte in het bloed).

Kijk hier voor meer praktische informatie over vaccineren van uw kat en over de mogelijkheden van titerbepaling (titeren).

Vaccinatie bij asielkatten

Vaccinatie is de enige manier om uitbraken van kattenziekte te voorkomen. Voor katten die worden gehouden in een inrichting (zoals een asiel / dierenopvangcentrum) zijn vaccinaties tegen kattenziekte en niesziekte daarom verplicht gesteld door de Nederlandse Overheid.

Voor asielkittens geldt het advies om de eerste vaccinatie al op een jongere leeftijd toe te dienen (op 6 weken en in geval van een kattenziekte uitbraak zelfs op 4 weken). Zolang het kitten in de inrichting verblijft, wordt hervaccinatie iedere 2 tot 4 weken geadviseerd totdat het kitten 20 weken oud is.

Wat te doen bij een kattenziekte uitbraak?

Doet het verhaal de ronde dat er sprake is van een kattenziekte uitbraak in uw omgeving? Overleg dan met uw dierenarts hoe u samen uw dier(en) gezond kunt houden. Vergeet daarbij niet dat honden ook een rol kunnen spelen bij kattenziekte!