Konijn
Konijnen als huisdier
Konijnen zijn actieve, slimme en sociale dieren. Houd minstens twee konijnen samen. Konijnen zijn geen knuffeldieren maar vaak vinden ze het wel fijn om geaaid te worden, zolang ze met vier poten op de grond staan. Geef uw konijnen de ruimte: om gezond te blijven hebben ze, naast de juiste voeding, ook veel beweging nodig!
Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of konijnen de huisdieren zijn die u zoekt.
Algemeen
Konijnen zijn leuke, maar relatief veeleisende huisdieren. Ze worden soms gezien als makkelijk huisdier voor kinderen, maar dit beeld klopt niet. Ze houden meestal niet van op schoot zitten of opgetild worden. Ze hebben veel ruimte nodig en vragen aardig wat tijd voor verzorging. Om goed voor konijnen te kunnen zorgen, moet u genoeg weten over goede voeding, konijnengedrag en het herkennen van ziekte of pijn. Vergis u bovendien niet in de jaarlijkse kosten: die kunnen flink oplopen. Houd konijnen niet alleen, maar samen met een soortgenoot.
Het konijn is geen knaagdier maar hoort bij de familie van de haasachtigen (Lagomorpha). De haasachtigen hebben achter hun bovenste snijtanden nog twee kleine tandjes staan, de stifttanden. De onderste snijtanden slijten hiertegen af. Knaagdieren hebben deze extra tandjes niet. Konijnen hebben lange oren en grote, sterke achterpoten. Ze zijn snel en wendbaar. Het wilde konijn heeft een grijsbruin gekleurde vacht met een lichte buik. De onderzijde van de staart is wit. Een konijn kan als huisdier zo'n acht tot tien jaar oud worden, maar ouder is ook mogelijk. Erg grote rassen worden minder oud, gemiddeld een jaar of vijf à zes.
Verschillende varianten
Er zijn ongeveer vijftig verschillende konijnenrassen. Deze onderscheiden zich onder andere door vachtkleur, vachtlengte, bouw en formaat. Er bestaan bovendien konijnen met rechtopstaande oren maar ook met hangoren.
Konijnenrassen worden onderverdeeld in dwergkonijnen (tot 1,7 kilo), kleine konijnen (1,7 tot 3 kilo), middelgrote konijnen (3 tot 5 kilo) en grote konijnen (5 kilo en zwaarder). Voorbeelden van dwergkonijnen zijn de kleurdwerg en de Nederlandse hangoordwerg. Grote rassen zijn onder andere de Franse hangoor en de Vlaamse reus, die wel acht kilo kan wegen. Vaak zijn de kleine konijnen wat feller en schrikachtiger dan hun grote soortgenoten.
Als de grootte of de vorm van een bepaald type konijn heel anders is dan die van het wilde konijn, kan dit gevolgen hebben voor zijn welzijn en gezondheid. Konijnen met hangende oren lopen bijvoorbeeld meer risico op oorproblemen en tranende ogen. Heel grote konijnen worden minder oud. Konijnen met een lange of pluizige vacht hebben veel verzorging nodig, anders gaat hun vacht klitten en vervilten. In lange vachten blijft eerder ontlasting en urine achter, wat vliegen kan aantrekken die madenziekte veroorzaken. Denk daaraan als u een konijn kiest.
Van nature
In de natuur leven konijnen in grote of kleinere groepen in grasland, duinen of heidegebieden. Ze zetten hun territorium af met keutels, plasjes en door hun kin langs voorwerpen te wrijven. In de groep is een rangorde aanwezig. Konijnen hebben zelfgegraven holen en gangenstelsels met meerdere uitgangen, maar brengen veel tijd boven de grond door met voedsel zoeken, rennen en spelen. Ze eten vooral in de avond en ochtend. Midden op de dag rusten ze. Konijnen vinden het prettig om bij elkaar te liggen en elkaars vacht te verzorgen.
Huisvesting van konijnen
Bij de huisvesting van konijnen komt veel kijken. Ze hebben een flinke ruimte nodig en willen gezelschap van een soortgenoot. Hieronder leest u de aanbevelingen voor de huisvesting van konijnen in verschillende situaties.
Houd konijnen niet in hun eentje
Konijnen zijn echte groepsdieren. Konijnen die met een soortgenoot leven, vertonen minder vaak stereotiep gedrag zoals traliebijten, hebben het minder snel koud en herstellen sneller van stress dan konijnen die alleen leven. Konijnen poetsen elkaar, spelen samen en houden elkaar actief. Houd daarom minstens twee konijnen samen.
Een mannetje en een vrouwtje is meestal de beste combinatie. Het mannetje moet dan gecastreerd worden en liefst ook het vrouwtje. Twee ongecastreerde mannetjes gaan bijna altijd vechten als ze ouder worden. Ook twee vrouwtjes kunnen plotseling gaan vechten als hun hormonen gaan werken. Twee jong gecastreerde vrouwtjes kunnen meestal goed samenleven als ze samen opgroeien. Soms lukt dit ook met rustige, volwassen gecastreerde vrouwtjes als ze op neutraal terrein langzaam aan elkaar kunnen wennen en voldoende ruimte en schuilmogelijkheden hebben. Een enkele keer kunnen twee jong gecastreerde mannetjes die samen opgroeien, bij elkaar blijven als ze gecastreerd zijn voordat er gevechten uitbreken.
Zet nooit twee vreemde volwassen konijnen zomaar bij elkaar, ze kunnen elkaar flink verwonden. Er moet een goede combinatie van karakters zijn en ze moeten rustig aan elkaar wennen.
Op onze website vindt u uitgebreide informatie over het koppelen van twee konijnen.
Basisvoorwaarden aan konijnenhuisvesting
Behalve gezelschap hebben konijnen nog twee andere basisbehoeften waarmee u rekening moet houden: beweging en veiligheid.
Om zowel lichamelijk als geestelijk gezond te blijven, hebben konijnen voldoende ruimte en beweging nodig. Ze moeten kunnen rennen en springen. Konijnen zijn het meest actief in de ochtend- en avondschemer. Laat ze in elk geval op die momenten van de dag meerdere uren rennen en spelen in een veilige ruimte.
Konijnen willen bovendien op hun achterpoten kunnen staan om hun omgeving te scannen. Ze moeten zich kunnen terugtrekken in een schuilplaats als ze zich onveilig voelen en een veilige plek hebben om te rusten. Ook moeten ze voldoende afstand van elkaar kunnen nemen.
Konijnen binnen of buiten houden?
Konijnen kunnen binnen of buiten gehouden worden. Bedenk vooraf goed wat in uw situatie het beste is.
Konijnen kunnen slecht tegen temperatuurschommelingen. Haal een ‘buitenkonijn’ 's winters niet steeds naar binnen en laat een ‘binnenkonijn’ niet naar buiten bij lagere temperaturen. Konijnen die buiten gaan leven, moeten vanaf de zomer buiten wonen zodat ze een wintervacht ontwikkelen.
Als uw konijnen buiten wonen, moet u ook bij slecht weer genoeg tijd besteden aan schoonmaken, verzorging en het observeren van de konijnen. Als het erg koud is, hebben de konijnen wat meer aandacht en zorg nodig. In de zomer moet u, als het erg warm wordt, extra maatregelen nemen omdat konijnen slecht tegen hitte kunnen. Bij een hittegolf kan het soms beter zijn de konijnen tijdelijk binnen te halen, als het daar koeler is dan buiten in de schaduw.
Houdt u de konijnen binnen, dan geeft dat meer stof en rommel in huis. U zult uw huis moeten inrichten op de konijnen zodat er een flink verblijf in past en zodat het veilig is (denk aan het wegwerken van kabels of verwijderen van giftige planten). Ook moet u soms extra rekening houden met de aanwezigheid van de konijnen, bijvoorbeeld met het maken van harde of hoge geluiden of als er bezoek komt. Er bestaat altijd een kans dat de konijnen aan uw meubels of andere spullen knagen als u hen los in de kamer laat lopen.
Waaruit bestaat een goed verblijf voor konijnen?
De beste manier om konijnen te huisvesten is in een verblijf met altijd toegang tot een veilige losloopruimte die groot genoeg is om echt te kunnen rennen. Dit kan zowel binnen als buiten.
Is het echt niet mogelijk om de konijnen een verblijf met altijd toegang tot een losloopruimte te geven, dan kunt u kiezen voor een extra groot basisverblijf en daarnaast een losloopruimte die een deel van de tijd beschikbaar is. In dat geval moet u aan twee dingen denken:
- Het basisverblijf moet groot genoeg zijn, want de dieren zullen hier veel tijd moeten doorbrengen (zie tabel 2 en 3). Ze moeten meerdere hoppen kunnen maken, op hun achterpoten kunnen staan, een goede plek hebben om te rusten en moeten voldoende afstand van elkaar kunnen nemen: bij voorkeur tenminste vijf konijnlengtes tussenruimte (de lengte van een zittend konijn, gemeten over de grond).
- Geef de konijnen elke dag liefst minstens vijf tot zes uur toegang tot de losloopruimte, langer is beter. Verdeel die uren over de vroege ochtend en de late middag / het begin van de avond, dus ‘s ochtends en ’s avonds rondom schemertijd. Dit zijn de tijden dat konijnen van nature de meeste behoefte hebben aan beweging.
Maak de losloopruimte bij voorkeur aansluitend aan het basisverblijf, omdat u de konijnen anders naar hun losloopgebied moet tillen en dat geeft stress.
Bedenk dat het in de praktijk voor u lastig kan zijn om de konijnen dagelijks hun vijf tot zes uur loslooptijd te geven op voor hen geschikte momenten. Het is dan ook sterk aan te raden om te kiezen voor een verblijf met altijd toegang tot een losloopruimte.
Aanbevolen maten voor de losloopruimte (zowel binnen als buiten) vindt u in tabel 1, maten voor basisverblijven binnen en buiten staan in tabel 2 en 3. Dit zijn maten voor twee konijnen, want omdat het groepsdieren zijn, is het advies om konijnen met minimaal één ander konijn te houden. Mocht u om speciale redenen toch maar 1 konijn houden, dan is de aanbevolen maat van het verblijf hetzelfde als voor twee konijnen, want ook één konijn heeft genoeg ruimte nodig om te bewegen. Het houden van slechts één konijn in een buitenverblijf is sterk af te raden, het dier zal snel eenzaam worden en zichzelf minder goed warm kunnen houden.
De losloopruimte voor konijnen (binnen of buiten)
Een losloopruimte is altijd nodig. Daar moeten de konijnen hun energie kwijt kunnen en een stukje kunnen rennen, niet alleen (rustig) hoppen. Dit hoort bij het natuurlijk gedrag van een konijn. In het algemeen zijn kleinere rassen wat actiever dan de grote, zware rassen.
Het LICG adviseert om bij de afmetingen van de losloopruimte rekening te houden met een aantal hoppen achter elkaar, zodat er ook echt wat gerend kan worden: voor dwerg- en kleine konijnen 7 bij 5 hoppen (lengte x breedte), middelgrote konijnen 7 bij 4 hoppen en grotere konijnen 6 bij 4 hoppen. De lengte van een gemiddelde hop is daarbij de lengte van het konijn als hij languit ligt. Natuurlijk geldt altijd: hoe meer ruimte, hoe beter.
De losloopruimte moet een aaneengesloten ruimte zijn, zodat er genoeg plaats is om te rennen. Het hok en ook eventuele etages tellen daarom niet mee.
De hoogte van de losloopruimte is ook belangrijk. Konijnen moeten op hun achterpoten kunnen staan en voldoende ruimte hebben om te springen en binkies (vreugdesprongen) te maken, dit zijn natuurlijke behoeftes. Bij een te laag verblijf wordt dit gedrag onderdrukt en dat kan stress opleveren.
Tabel 1 - Aanbevolen minimale maten voor losloopruimte
Dit is de geadviseerde grootte van alleen de losloopruimte, het hok of basisverblijf telt hierin dus niet mee! Voor alle maten geldt: groter is altijd beter.
| 2 konijnen waarvan de grootste een: |
Aanbevolen afmetingen losloopruimte (l x b) (cm) | Aanbevolen minimale hoogte losloopruimte (m)* | Aanbevolen oppervlakte losloopruimte (m2) |
| Dwergkonijn (tot 1,7 kg) |
280 x 200 | 0,75 | 5,6 |
| Klein konijn (1,7 tot 3 kg) |
350 x 250 | 0,75 | 8,8 |
| Middelgroot konijn (3 tot 5 kg) |
420 x 240 | 1 | 10 |
| Groot konijn (5 kg)** |
420 x 280 | 1 | 11,8 |
* Let op: veel konijnen kunnen zeker een meter hoog springen. Dek dus de losloopruimte van boven af of maak het hek minimaal een meter hoog, voor wat grotere konijnen liefst hoger!
** Voor elke kilo meer: 50 cm langer, 30 cm breder, 5 cm hoger.
Het heeft de voorkeur om de lengte langer te maken dan de breedte, zoals in de tabel aangegeven, zodat er een lang stuk ontstaat waarin de konijnen meerdere hoppen achter elkaar kunnen maken. Eventueel kan de losloopruimte ook in een andere verhouding gemaakt worden, maar houd rekening met de aanbevolen oppervlakte.
Als u uw konijnen binnen houdt in alleen een losloopruimte zonder (daarnaast) een hok, zullen toiletbakken, schuilhokjes en dergelijke in de losloopruimte moeten staan. Dat neemt plaats in, dus maak dan de losloopruimte wat groter; voor twee dwergkonijnen komt u dan uit op zo’n 6 vierkante meter.
Niet alle konijnen zijn even actief, dit kan verschillen per ras, leeftijd en individu. Heeft u erg actieve konijnen, kies dan liefst een grotere losloopruimte.
Heeft u een (veel) groter losloopgebied? Houd ook dan de aanbevolen maten voor het basisverblijf aan als de konijnen niet altijd toegang hebben tot de losloopruimte. De dieren zullen dan immers nog steeds veel tijd in alleen het basisverblijf moeten doorbrengen.
Konijnenhuisvesting binnen
Huisvesting binnen kan op twee manieren:
1) Wel altijd toegang tot een losloopruimte (dit heeft de voorkeur!):
Dit kan bijvoorbeeld in een grote ren, een afgezet deel van de kamer of een aparte kamer voor de konijnen. Eventueel kunt u hierin of hieraan vast een basisverblijf gebruiken dat altijd toegankelijk is, zoals een kooi waar u het deurtje uithaalt, maar dat hoeft niet. Voor grote konijnenrassen, maar ook voor oude of moeilijker lopende konijnen, is een losloopruimte zonder kooi de beste en veiligste oplossing. Zo hoeven ze niet over de rand te springen. Richt de losloopruimte in met o.a. schuilhokken.
Kijk voor de maat van de losloopruimte in tabel 1 en voeg wat extra ruimte toe voor toiletbakken en schuilhuisjes. Wilt u naast of in de losloopruimte ook nog een hok of ander basisverblijf neerzetten, dan telt de oppervlakte daarvan niet mee bij de oppervlakte van de losloopruimte.
2) Niet altijd toegang tot losloopruimte:
Kies een groot basisverblijf met (liefst daaraan vast) een losloopruimte waarin de dieren bij voorkeur zeker vijf tot zes uur per dag kunnen rondlopen. Het basisverblijf kan bestaan uit één deel, bijvoorbeeld een ren of een heel groot hok. U kunt ook een ren koppelen aan een wat kleiner hok, het basisverblijf bestaat dan uit twee delen: een hok en een uitloop. Let op: met uitloop wordt hier een beperkte ren bedoeld die als (deel van het) basisverblijf dient; dit is iets anders dan de (grotere) losloopruimte !

Voorbeeld van een basisverblijf uit twee delen, een hok met daaraan vast een ren. Hiernaast is er nog een veilige losloopruimte nodig. (Gebruikt u daarvoor de kamer, dan moet de plant dus weg!)
De aanbevolen maten voor een basisverblijf als u niet altijd toegang biedt tot de losloopruimte, vindt u in tabel 2. De aanbevolen maten voor de losloopruimte staan in tabel 1. Als losloopruimte kunt u een ren maken in de kamer of een deel van de kamer afzetten, of de konijnen toegang geven tot de hele kamer. Zorg wel dat de hele losloopruimte veilig is! Zie voor meer informatie hierover het artikel ‘Huisvesting van konijnen – tips en advies’.
Bij de aanbevolen lengte van het basisverblijf kunnen beide konijnen languit liggen met nog vijf konijnlengtes (lengte van een zittend konijn) tussenruimte; er is dan ook voldoende lengte voor meerdere hoppen. De breedte is zo gekozen dat als één konijn languit in de breedte ligt, de ander nog goed kan passeren. Daarbij is nog wat oppervlakte opgeteld voor twee toiletbakken en twee schuilhuisjes. Het advies voor het uitloop-gedeelte geldt wanneer het basisverblijf uit twee delen bestaat. Maak dit deel tenminste lang genoeg om drie hoppen te kunnen maken: 3 keer de lengte van een languit liggend konijn (liglengte) plus de lengte van het zittende konijn.

Ruimte voor drie hoppen
Tabel 2 - Aanbevolen minimale maten voor basisverblijf bij binnenhuisvesting met niet altijd toegang tot de losloopruimte
| 2 konijnen waarvan de grootste een: |
Aanbevolen afmeting totale basisverblijf (l x b x h) (cm) |
Aanbevolen minimale lengte uitloop-gedeelte * (basisverblijf uit twee delen)(cm) | Aanbevolen oppervlakte basisverblijf (m2) ** |
| Dwergkonijn (tot 1,7 kg) |
205 x 80 x 60 |
145 |
1,6 |
| Klein konijn (1,7 tot 3 kg) |
250 x 100 x 70 |
180 |
2,5 |
| Middelgroot konijn (3 tot 5 kg) |
320 x 120 x 80 |
220 |
3,8 |
| Groot konijn 5 kg |
390 x 140 x 85 |
260 | 5,5 |
| Groot konijn 6 kg |
445 x 160 x 95 | 292 | 7,1 |
| Groot konijn 7 kg *** |
495 x 175 x 100 | 320 | 8,7 |
* Dit is niet de losloopruimte maar een deel van het basisverblijf!
** Dit is de totale oppervlakte voor het basisverblijf; bestaat dit uit twee delen, bijvoorbeeld een hok met daaraan een rennetje, dan is dit de oppervlakte van beide delen samen. Deze oppervlakte moet op één niveau beschikbaar zijn, eventuele etages tellen niet mee. Zorg hiernaast voor een grote losloopruimte (zie tabel 1).
*** Voor elke kilo meer: basisverblijf 40 cm langer, 10 cm breder en 5 cm hoger. Rengedeelte 25 cm langer.
Aandachtspunten bij een losloopruimte binnenshuis
Werkt u binnenshuis met renhekken, let dan op dat ze hoog genoeg zijn zodat de konijnen er niet overheen springen en dek eventueel de bovenkant af. Zorg er wel voor dat de ruimte in de losloopruimte hoog genoeg blijft (zie tabel 1). De afstanden tussen de tralies mogen niet zo groot zijn dat de konijnen hun kop ertussen kunnen duwen of er tussendoor kunnen glippen. Maak eventueel het onderste deel van de renhekken dicht of scherm ze af met fijnmazig gaas.
Zorg voor een niet-gladde ondergrond, zoals een stuk vloerzeil met antislip laag. Let op dat de konijnen daar niet van kunnen eten. Plaats schuilhokken zo dat de konijnen ze niet kunnen gebruiken om erop te klimmen en dan over de hekken van de losloopruimte te springen.
In plaats van in een aparte losloopruimte kunt u de konijnen ook los in de hele kamer laten lopen op momenten dat dit veilig is. Wel moet u dan de gehele ruimte konijn-veilig maken, zoals kabels wegwerken. Zorg liefst wel dat u de mogelijkheid heeft de konijnen af te schermen in een deel van de ruimte voor situaties waarin dat nodig is. Pas op dat er niemand over de konijnen struikelt als ze los lopen en wees heel voorzichtig met andere huisdieren zoals honden of katten. Lees meer tips over het veilig maken van de ruimte in het artikel over ‘Huisvesting van konijnen - tips en advies’.
Plaats van het verblijf in huis
Plaats een konijnenverblijf niet op de tocht, naast een verwarmingsbron of in de volle zon. Zet een hok of ren liefst langs een muur of in een hoek zodat er voldoende beschutting is en de konijnen zich veilig voelen. Zet het verblijf niet dichtbij apparaten die lawaai maken of hoge tonen uitzenden, zoals televisie en stereo. Pas ook op met andere huisdieren zoals honden, katten of fretten en zorg dat ze niet bij de konijnen kunnen komen.
Konijnenhuisvesting buiten
Huisvesting buiten kan bestaan uit een water- en winddicht nachthok, dat beschutting biedt, met daaraan vast een grote, altijd toegankelijke losloopruimte. Dit is de beste opstelling, omdat de konijnen dan kunnen bewegen wanneer ze daar behoefte aan hebben. Kan dit niet, dan is het ook mogelijk te kiezen voor een flink basisverblijf (waarvan een deel nachthok is en een deel uitloop) plus een grote losloopruimte die liefst minstens vijf tot zes uur per dag toegankelijk is. De aanbevolen maat voor de losloopruimte vindt u in tabel 1.
Een nachthok is in alle gevallen nodig. Dit nachthok moet tenminste zo groot zijn dat de dieren languit kunnen gaan liggen en toch nog minstens twee konijnlengtes (lengte van een zittend konijn) onderlinge afstand hebben. Ook moeten ze elkaar goed kunnen passeren, ook als een van beide konijnen languit in de breedte ligt. Neem voor de breedte van het nachthok daarom anderhalf keer de liglengte van een konijn. Tel dan wat bij de breedte op om ruimte te maken voor minstens één toiletbak.
Is er niet altijd toegang tot de losloopruimte, dan moet er aan het nachthok een uitloop zijn zodat de konijnen ook wat beweging kunnen krijgen als de losloopruimte afgesloten is. Maak deze uitloop tenminste lang genoeg om drie hoppen te kunnen maken: 3 keer de lengte van een languit liggend konijn plus de lengte van het zittende konijn. In de breedte moeten de konijnen elkaar kunnen passeren, ook als een van hen languit ligt.

Ruimte voor drie hoppen
Aanbevolen maten voor buitenhuisvesting vindt u in tabel 3.
Houd rekening met hoe het verblijf is opgebouwd: afhankelijk van de plaats van de ingang zijn er verschillende indelingen mogelijk, maar houd bovengenoemde voorwaarden aan over ligruimte, tussenruimte, passeren en het maken van drie hoppen.
Schematisch voorbeeld van een nachthok met uitloop, hier met doorgang van het nachthok naar de uitloop aan de zijkant:
Lengte nachthok 1,5 liglengte plus 2 konijnlengtes (om afstand te kunnen houden)
Breedte nachthok: 1,5 liglengte plus 10 cm (dwerg- en klein konijn), 15 cm (middelgroot konijn) of 20 cm (grote konijnen) (bijtelling i.v.m. ruimte voor een toiletbak)
Lengte uitloop voor 3 hoppen: 3 liglengtes plus 1 konijnlengte
Breedte uitloop: 1,5 liglengte

Tabel 3 - Aanbevolen minimale maten voor buitenhuisvesting (basisverblijf)
| 2 konijnen waarvan de grootste een: |
Aanbevolen afmeting nachthok (altijd nodig) |
Aanbevolen oppervlakte nachthok (m2) | Aanbevolen maat uitloop (indien niet altijd toegang tot de losloopruimte) (l x b) (cm) |
Aanbevolen Totale oppervlakte nachthok plus uitloop (m2) |
| Dwergkonijn (tot 1,7 kg) |
110 x 70 x 60 |
0,8 |
145 x 60 |
1,6 |
| Klein konijn (1,7 tot 3 kg) |
135 x 85 x 70 |
1,1 |
180 x 75 |
2,5 |
| Middelgroot konijn (3 tot 5 kg) |
170 x 105 x 80 |
1,8 |
220 x 90 |
3,8 |
| Groot konijn 5 kg |
205 x 125 x 85 |
2,6 | 260 x 105 | 5,3 |
| Groot konijn 6 kg |
235 x 140 x 95 | 3,3 | 292 x 120 | 6,8 |
| Groot konijn 7 kg ** |
260 x 150 x 100 | 3,9 | 320 x 130 | 8,1 |
* Hierbij is rekening gehouden met 1 toiletbak; ideaal is om elk dier een eigen bak te geven, maak in dat geval het nachthok nog iets groter.
** Voor elke kilo meer: nachthok 20 cm langer, 10 cm breder en 5 cm hoger, uitloop 25 cm langer en 10 cm breder.
Naast dit basisverblijf is een losloopruimte nodig, zie de maten in tabel 1.
Aandachtspunten voor nachthok en basisverblijf
Het nachthok moet vorstvrij, goed geïsoleerd en water- en winddicht zijn. Wel moet er voldoende ventilatie zijn. Een dikke laag hooi en/of stro in het nachthok helpt de dieren zich ’s winters warm te houden. Plaats het hok een klein eindje van de grond af zodat er geen optrekkende kou is. Zet het niet zo hoog dat er een loopplank nodig is met een helling van meer dan zo’n 30 graden, want dan bestaat de kans dat niet elk konijn hier goed gebruik van kan en wil maken. U kunt ook een schuurtje ombouwen tot nachtverblijf.
Let erop dat het ene konijn niet de toegang tot het nachthok kan blokkeren voor het andere konijn. Kies een voldoende grote opening of eventueel twee openingen (maar pas op met tocht, en in dat geval heeft u waarschijnlijk een groter nachthok-gedeelte nodig, omdat een konijn meestal niet bij de opening zal gaan liggen). Zorg bij een altijd toegankelijke losloopruimte voor een extra (beschutte en vorstvrije) schuilplaats in de losloopruimte.
Is er niet altijd toegang tot de losloopruimte, dan heeft u een basisverblijf bestaande uit een nachthok plus uitloop nodig. Zorg er liefst voor dat het uitloopgedeelte aan drie zijkanten en van boven dicht is, zodat er voldoende beschutting is. Dit kan ook helpen voorkomen dat de wind gemakkelijk in de opening van het nachthok kan blazen. De bodem moet vast zijn en droog blijven, zodat ook dit deel van het verblijf altijd goed bruikbaar blijft.
Aandachtspunten voor de losloopruimte buiten
Een losloopruimte buiten kan een grote ren zijn. Een grote volière kan ook gebruikt worden. Dat is handig met schoonmaken en hanteren omdat u daar zelf in kunt staan Maak liefst een sluis zodat de konijnen niet kunnen ontsnappen als u de deur opendoet. Hebben de konijnen niet continu toegang tot de losloopruimte, maak deze dan wel aan het basisverblijf vast zodat u de konijnen niet hoeft op te tillen. Soms is het mogelijk de konijnen in een goed omheinde binnenplaats of tuin zonder giftige planten te laten loslopen, maar omdat het lastig is om dit veilig te houden, is dit in veel gevallen toch niet aan te raden.
De ondergrond in de losloopruimte kan bestaan uit bijvoorbeeld deels tegels, deels zand of gras. Eventueel kunt u ook de hele losloopruimte betegelen en een aparte graafbak met aarde maken, maar dit heeft nadelen. Een tegelondergrond is erg hard voor de poten en zou op termijn kunnen lijden tot voetzoolproblemen en in de zomer wordt het op tegels bovendien snel heet. Een deel zachtere ondergrond is dus prettiger.
Graaf bij een zand- of grasbodem aan de zijkanten het gaas tenminste 50 centimeter in de grond of graaf een laag gaas in onder de hele losloopruimte en bedek dit weer met grond. Dit voorkomt dat de konijnen zich eruit graven of andere dieren zich naar binnen graven. Dek de bovenkant af met bijvoorbeeld gaas zodat er geen roofdieren zoals katten, honden, vossen, bunzings of roofvogels van bovenaf in de losloopruimte kunnen komen.
Overdek een deel van de ruimte met materiaal dat beschutting biedt tegen zowel neerslag als zon, zodat de konijnen ook bij minder goed weer genoeg ruimte hebben om te bewegen. Aan te raden is om dat deel van de losloopruimte ook aan tenminste twee zijkanten af te schermen, zodat de dieren zich veilig voelen en beschutting hebben.
Lees meer tips in het artikel over ‘Huisvesting van konijnen – tips en advies’.
Plaatsing van het buitenverblijf
Plaats het nachthok of basisverblijf op een beschutte plek en zo dat er geen koude noordenwind in kan blazen en het niet kan inregenen. Zet het hok niet in de volle zon. Het is ook in de losloopruimte noodzakelijk dat de konijnen 's zomers de schaduw op kunnen zoeken.
Wel of geen etages? (binnen en buiten)
Een basisverblijf met etages kan eventueel de beschikbare ruimte vergroten. De oppervlakte van de grootste verdieping moet echter net zo groot zijn als bij een verblijf zonder etages, omdat er onafgebroken renoppervlak moet zijn. De ruimte op een etage moet dus echt gezien worden als ‘extra’. Houd voor de hoofd-etage tenminste de hoogte aan die is aangegeven in de tabellen, zodat de konijnen op hun achterpoten kunnen staan. Let op: de loopplank tussen de etages mag niet te steil zijn en moet daarom flink lang zijn, dit is vaak moeilijk in te passen. Ook moet de loopplank veilig zijn met een dicht loopvlak, niet glad en tenminste even breed als het grootste konijn.
Voor oude konijnen, erg grote konijnenrassen of konijnen die moeilijk lopen zijn etages ongeschikt. Huisvest hen gelijkvloers.
Inrichting van het konijnenverblijf (binnen en buiten)
Als bodembedekking in een binnenverblijf of nachthok is een laag bodemmateriaal zoals korrels op basis van maiskolf, papier of karton, strokorrels, hennepvezel of eventueel kranten geschikt met daarop een laag hooi of stro. Zaagsel wordt ook veel gebruikt maar pas op dat het niet stoffig is, want dat kan de luchtwegen en ogen irriteren. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat zaagsel van naaldhout op termijn ongezond zou kunnen zijn.
Konijnen doen hun behoefte het liefst in een vaste hoek van hun verblijf. Daar kunt u wat extra bodembedekking leggen, maar handiger is het om toiletbakken neer te zetten, liefst één per konijn. Vul deze met bodemmateriaal zoals houten kattenbakkorrels, strokorrels of hennepvezel, afgedekt met stro of hooi. Gebruik nooit klompvormende kattenbakvulling! Dit kan verstopping veroorzaken als het wordt opgegeten. Pas ook op dat de korrels niet scherp zijn, dit kan de poten beschadigen.
Zijn uw konijnen zindelijk, dan hoeft u in een grote losloopruimte in huis niet overal bodemmateriaal te leggen maar kunt u een paar toiletbakken neerzetten. Gebruiken uw konijnen geen vaste hoek, kies dan in het hele hok voor een bodembedekking die de urine goed opneemt.
Gebruik stevige, zware bakjes voor voer en water en geef elk konijn eigen bakjes. Eventueel kunnen ook drinkflesjes gebruikt worden, maar konijnen drinken liever uit een bakje en genoeg drinken is belangrijk voor hun gezondheid. Bakjes hebben daarom de voorkeur.
Konijnen zitten graag ergens in of onder, dat geeft een veilig gevoel. Geef hen daarom schuilplekken, bijvoorbeeld een kartonnen doos, tunnels of houten schuilhokjes. Zorg dat er voor elk konijn tenminste één schuilplaats is. Geef tenminste één schuilplaats waar de konijnen samen onder passen. Schuilplaatsen met aan twee kanten een opening voelen veiliger omdat het konijn dan niet ingesloten kan worden. Ook in een losloopruimte (buiten of binnen) kunt u schuilhokjes en tunnels plaatsen. Veel konijnen zitten ook graag ergens bovenop.
Graven is voor konijnen natuurlijk gedrag, geef hen liefst de mogelijkheid dit ook in hun verblijf te doen. Binnen kan een graafbak gevuld worden met hooi, eventueel gemengd met bijvoorbeeld strooisel uit maiskolf. Buiten kunt u een graafbak maken met bijvoorbeeld onbemeste tuinaarde of eventueel speelzand. Gebruik geen metselzand. Aarde is prettiger voor de konijnen omdat zand snel instort en kan stuiven. Zorg bij een graafbak buiten dat deze niet helemaal vol kan regenen.
Geef de konijnen daarnaast speelgoed en knaagmateriaal. Geschikt zijn takken van o.a. wilg en hazelaar, een hooiruif, tunnels, kartonnen dozen (let op dat ze hier niet te veel van eten) en diverse konijnenspeeltjes zoals ballen van zeegras.
Gebruik alleen veilig materiaal: niet giftig (verf, lijm), niet scherp, geen materiaal waar splinters of draden afkomen en geen plastic of ander onverteerbaar materiaal (zoals katoenvezel) dat bijvoorbeeld verstopping kan veroorzaken. Pas ook op dat de konijnen niet klem kunnen komen te zitten met bijvoorbeeld hun kop of een pootje.
Lees meer tips in het artikel over ‘Huisvesting van konijnen – tips en advies’.
Konijnen verzorgen en hanteren
Veel konijnen vinden het fijn om geaaid te worden, maar ze worden meestal liever niet opgetild. Konijnen kunnen bijten, maar ze kunnen met hun achterpoten ook flink krabben als ze spartelen om weg te komen. Pak ze daarom, alleen als het echt nodig is, voorzichtig op en laat hen niet door kleine kinderen optillen.
Als u een konijn wilt optillen, doe dat dan als volgt: begin met de kop van het konijn naar u toe. Leg uw ene hand om zijn achterwerk heen. Schuif uw andere hand onder zijn borst. Til het konijn op en leg het tegen uw lichaam aan, het liefst met zijn kop onder uw arm. Daardoor blijft het konijn rustig. Bij het terugzetten van het konijn kunt u het dier het beste achteruit zijn hok in zetten, zodat het niet uit uw armen kan springen en zich verwonden.
Til een konijn nooit op aan zijn oren of alleen aan zijn schoudervel! Zorg ervoor dat het konijn niet kan spartelen, zijn achterpoten zijn zo sterk dat hij daardoor zijn eigen rug kan breken. Meer informatie over het optillen en hanteren van uw konijn leest u in het document ‘Konijnen hanteren’ op onze website.
Kortharige konijnen moeten vooral tijdens de ruiperioden regelmatig geborsteld worden. Omdat de vacht van langharige konijnen gemakkelijk gaat klitten, moeten zij, ook als ze niet ruien, tenminste eens per week helemaal geborsteld worden, sommige konijnen vaker. U kunt daarvoor het beste een zachte slickerborstel gebruiken. Vergeet niet om de plekken onder de kin, op borst en buik, tussen de poten en bij de staart goed uit te borstelen, omdat daar vaak klitten ontstaan. Wees voorzichtig om het konijn geen pijn te doen. Voel dagelijks of er klitten in de vacht zitten en haal deze er met uw vingers of een kam met wijde tanden uit. Houd er rekening mee dat de huid van konijnen gevoelig is; trek nooit aan klitten! Kies liefst een metalen kam met ronde punten.
Voor veel langharige konijnen is het goed de vacht tenminste eens per twee maanden te knippen. U kunt dat laten doen bij een konijnentrimmer. Zelf knippen kan ook, maar laat dan bij een trimsalon voordoen hoe kort u de vacht mag knippen omdat te veel knippen vachtproblemen kan veroorzaken. Men kan u daar ook laten zien hoe u het beste kunt borstelen.
Controleer regelmatig of de nagels niet te lang worden en knip ze als dat nodig is. Pas dan op dat u niet in het ‘leven’ knipt, het deel waar bloedvaten en zenuwen doorheen lopen. Tips vindt u in het document ‘Nagels knippen bij konijnen’ op onze website.
Maak het hok regelmatig schoon, tenminste eens per week. Als het gaat stinken, bent u te laat! Ververs dagelijks de bodembedekking in de toilethoek of toiletbakken. Dat geldt ook als uw konijnen buiten leven! Gebruikt u een toiletbak, maak deze dan wekelijks extra goed schoon met azijn om aanslag te verwijderen. Ververs elke dag het drinkwater en maak regelmatig de voerbakjes en drinkbakjes (of –flesjes) schoon.
Geef de konijnen iets te doen: zorg voor knaagmateriaal, wissel speelgoed af en gebruik voerverrijking. Gebruik alleen veilige materialen zonder scherpe delen of giftige (verf-)stoffen. Tips voor voedselverrijking vindt u in het artikel over ‘Voedselverrijking en spelletjes voor konijnen en knaagdieren’.
Konijnen kunnen gechipt worden. Dat kan zeker voor buiten levende konijnen verstandig zijn, maar ook voor konijnen die in huis wonen en de mogelijkheid hebben te ontsnappen. Vergeet niet uw adresgegevens te registreren en up to date te houden.
Voeding voor konijnen
Een konijn is een planteneter en heeft behoefte aan heel veel vezels. Die zitten vooral in ruwvoer zoals hooi en stro, dit is het hoofdvoedsel van uw konijnen. Geef hen elke dag onbeperkt vers ruwvoer. Dit houdt hen bovendien bezig. Hoewel stro veel vezels bevat, heeft het een lagere voedingswaarde dan hooi en wordt het meestal minder graag gegeten. Geeft dus liefst hooi of tenminste een combinatie van beide.
Gras bevat ook veel vezels. Als uw konijn altijd voldoende gras kan eten dan is hooi en/of stro als voeding niet nodig om uw konijnen genoeg vezels te geven. Hooi of stro moet echter wel aanwezig zijn om een warme en comfortabele slaapplek te maken. Ook in de winter kan het nodig zijn om hooi of stro bij te voeren als er te weinig gras van goede kwaliteit is. Konijnen moeten beetje bij beetje wennen aan het eten van gras. Pas vooral op met jong gras want dit bevat veel eiwitten, wat darmproblemen kan geven. Ook gras dat steeds nat is, kan diarree veroorzaken. Geef bovendien nooit gemaaid gras want dat gaat snel gisten.
Ook in groenten zitten wat vezels en bovendien vitaminen. Wen uw konijn langzaam aan nieuwe groenten om diarree te voorkomen. Begin altijd met een heel klein stukje; gaat dit goed dan kunt u langzaam steeds iets grotere stukjes geven. Was groenten eerst goed af. Varieer en geef liefst dagelijks een paar verschillende groenten.
Niet elke groente is geschikt. Onder andere witlof, andijvie, wortelloof, radijsblad en als traktatie een dun schijfje wortel zijn geschikte groenten voor uw konijnen. Geef van koolsoorten geen grote hoeveelheden, start door dit heel langzaam op te bouwen en kijk hoe uw konijn daarop reageert, want niet elk konijn kan daar goed tegen. Geef geen knoflook, ui, prei, aubergine of aardappels, daarvan kan uw konijn erg ziek worden.
Fruit bevat meestal veel suiker, geef daarom hooguit af en toe een heel klein stukje als extraatje. Geef geen droog brood, crackers of snacks met veel zetmeel of suikers, dit kan darmproblemen veroorzaken.
Geef naast hooi en groenten ook wat hardvoer. Geef liefst biks, geen gemengd konijnenvoer. Bij biks krijgen de konijnen alle voedingsstoffen binnenkrijgt in de juiste verhouding. Bij gemengd voer kunnen ze er alleen de lekkerste dingen uit eten en dan tekorten krijgen. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat gemengd konijnenvoer kan leiden tot gebitsproblemen. Kies biks met een hoog gehalte ruwe celstof (vezels).
Geef een volwassen konijn niet meer dan 20 gram brokjes per kilo lichaamsgewicht per dag zodat uw konijn niet te dik wordt. Een actief buitenkonijn heeft meer voer nodig dan een rustig binnenkonijn. Weeg uw konijnen regelmatig om hun gewicht bij te houden. Lees ook het artikel over ‘Overgewicht bij konijnen’: daarin vindt u de handige Maat-o-meter waarmee u kunt beoordelen of uw konijnen een goed gewicht hebben.
Konijnen eten een deel van hun keutels, de zogenaamde blindedarmkeutels, direct uit de anus op. In deze ontlasting zitten onmisbare voedingsstoffen. Vindt u deze zachte, glimmende trosjes keutels vaak terug in het hok, plakken ze steeds vast in de vacht of onder de poten van uw konijn of zijn ze slap of vormeloos? Dan kan dat komen door een verkeerde voeding, bijvoorbeeld te veel voer of voer met te veel suiker of zetmeel. Ook gewrichtsproblemen kunnen maken dat een konijn zijn blindedarmkeutels niet direct uit de anus kan opeten. Raadpleeg uw dierenarts als u regelmatig blindedarmkeutels terugvindt.
Konijnen vinden het lekker om op takken te knagen, bijvoorbeeld van wilgen. Dit geeft ze wat te doen, het is goed voor de tanden en het levert extra vezels op. Let op: geef uw konijn geen knaagsteen, deze bevat te veel kalk en kan blaasstenen veroorzaken.
Het is goed om een deel van het voer aan te bieden in de vorm van voedselverrijking zodat de konijnen iets te doen hebben. Tips vindt u in het artikel over ‘Voedselverrijking en spelletjes voor konijnen en knaagdieren’.
Een konijn moet onbeperkt vers water kunnen drinken. Ververs het water minstens eens per dag en doe het liefst in een stevige, stenen bak.
Voortplanting
Konijnen zijn vruchtbaar vanaf drie tot vijf maanden. Vrouwtjes, ook wel voedsters of moeren genoemd, kunnen dan drachtig (zwanger) worden. Ze maken een nestplek die ze bekleden met haar dat ze van hun eigen borst trekken. Na 29 tot 33 dagen werpen zij een nest jongen. Een nest bestaat vaak uit drie tot acht jongen, maar kan ook groter zijn. De jongen worden kaal en blind geboren. Ze worden vaak maar eens per dag kort door hun moeder gezoogd, de rest van de tijd is de moeder niet bij het nest.
Na drie weken komen de jongen uit het nest, maar pas na zes tot zeven weken zijn ze oud genoeg om hun geboorteplek te verlaten. Wettelijk mag dit vanaf zes weken. Let op: Houd er rekening mee dat de moeder direct na de geboorte van de jongen weer vruchtbaar is.
Vrouwtjeskonijnen kunnen ook schijndrachtig zijn. Ze kunnen dan hooi of stro verzamelen en ook hun eigen haar uittrekken om een nest te maken, zonder dat ze echt drachtig zijn. Vrouwtjes die drachtig of schijndrachtig zijn kunnen agressiever dan normaal reageren.
Ga niet zomaar fokken met uw konijn, er zitten al veel konijnen in asiel en opvang.
Ziekten en aandoeningen
Een gezond konijn is een actief, oplettend dier dat graag eet en een schone en droge vacht heeft. Aanwijzingen dat uw konijn ziek is, zijn: lusteloosheid, niet willen eten, vuile ogen, een vuile neus, vuile pootjes, een vieze vacht rond de anus, kwijlen, jeuk, kale plekken en het schuin houden van de kop.
Een belangrijke aanwijzing over de gezondheid van uw konijn zijn de keutels. Zijn deze klein en hard, dan wijst dit op een naderende verstopping of te weinig eten. Te zachte, natte keutels wijzen op darmklachten. Vaak wordt dit veroorzaakt door verkeerde voeding. Ook andere gezondheidsproblemen, zoals doorgroeiende kiezen en overgewicht, kunt u deels voorkomen door een verantwoorde voeding met voldoende ruwvoer.
Denkt u dat uw konijn ziek kan zijn, vraag dan altijd advies aan uw dierenarts. Een konijn is een prooidier en zal het zo lang mogelijk verborgen houden als hij ziek is of pijn heeft. Zorg dat u weet hoe u pijn bij uw konijnen kunt herkennen: lees het artikel ‘Pijn herkennen bij konijnen’.
Als uw konijn niet eet, moet u dezelfde dag nog naar de dierenarts gaan: te lang wachten kan dodelijk zijn en bijvoeding is vrijwel altijd nodig. Niet of slecht eten kan verschillende oorzaken hebben, zoals pijn, stress of gebitsproblemen. Als er niet snel iets aan gedaan wordt, kunnen de darmen van het konijn stil gaan liggen en daar kan het dier aan overlijden. Meer hierover leest u in de artikelen ‘Buikpijn bij konijnen’ en ‘Gebitsproblemen bij konijnen’.
Er komen twee gevaarlijke, door insecten overgedragen en besmettelijke ziekten voor bij konijnen: myxomatose en RHD (ook VHD genoemd). Van RHD bestaan minimaal twee virusvarianten: het klassieke RHD virus (RHDV1, ook wel type 1 genoemd) en RHDV2. Myxomatose en RHD zijn vrijwel altijd dodelijk en vooral RHD verspreidt zich snel en gemakkelijk. Vaccineren wordt dan ook met klem aangeraden. Er is een combinatievaccin tegen alle drie de virussen, dit vaccin is een jaar werkzaam. Meer informatie vindt u in de artikelen ‘Myxomatose bij konijnen’ en ‘RHD (VHD) bij het konijn’.
Konijnen kunnen madenziekte (myiasis) krijgen doordat vleesvliegen hun eitjes in de vacht van het konijn leggen. De maden eten zich door de huid van het konijn heen en dit kan snel dodelijk zijn. Vliegen komen vooral af op konijnen met een vieze vacht door plakkerige keutels of urine die in de vacht hangt, konijnen met wonden of konijnen die in een slecht schoongemaakt hok leven. Ziet u maden op uw konijn, bel dan direct de dierenarts zodat er bijtijds kan worden ingegrepen! Lees hierover ook het artikel ‘Madenziekte (myiasis) bij konijnen’.
Andere aandoeningen die bij konijnen kunnen voorkomen zijn onder andere oorontstekingen, snot (een ontsteking van de neus- en bijholten) en infecties met Encephalitozoön cuniculi, een hersenparasiet. Deze laatste aandoening kan gemakkelijk worden overgedragen tussen konijnen en via besmet materiaal. Bovendien is het een zoönose, wat betekent dat ook mensen besmet kunnen worden.
De urine van konijnen is meestal wat troebel en geel, maar kan ook oranje of zelfs rood zijn door plantenkleurstoffen in de voeding. Vrijwel kleurloze urine of juist heel troebele, dikke urine kan een teken zijn van blaasproblemen. Als er bloed in de urine zit door urinewegproblemen, dan is dat meestal egaal verdeeld en moet het worden aangetoond door de urine te testen. Bloedplekken in de urine, soms ook in stolsels, kan bij een vrouwtjeskonijn ook wijzen op een baarmoederprobleem. Is de urine van uw konijn anders dan normaal, vraag dan advies aan uw dierenarts. Let op: een vrouwtjeskonijn wordt niet ‘loops’ en bloedverlies is dus nooit normaal!
Konijnen met hangoren zijn extra gevoelig voor oorproblemen. Ook als ze niks laten merken, kunnen ze daar last van hebben. Door de hangende vorm van de oren en doordat de gehoorgang bij deze konijnen vaak vernauwd is, kan oorsmeer niet goed weg en lopen ze meer kans op infecties. De problemen worden vaak erger als de konijnen ouder worden. Ze horen vaak minder goed en kunnen last krijgen van oorontsteking, pijn, irritatie, aantasting van de gezichtszenuw en evenwichtsproblemen waarbij het hoofd scheef wordt gehouden (‘head tilt’). Oorproblemen kunnen ook voorkomen bij konijnen met staande oren. Vaak is aan het konijn niet makkelijk te zien dat hij een oorontsteking heeft. Bij een middenoorontsteking zijn konijnen vaak alleen slomer of ze eten minder goed. Daarnaast kan een konijn last van zijn oren hebben als hij vaak zijn kop schudt, vieze of rode oren heeft, het vervelend vindt als u aan zijn kop komt, veel krabt, zijn kop scheef houdt of als hij een scheef snoetje heeft.
Vrouwtjeskonijnen hebben een vrij grote kans op baarmoederkanker of -ontstekingen. Het risico op baarmoederkanker neemt boven de leeftijd van 3 jaar flink toe maar het kan ook bij jongere konijnen voorkomen. Deze problemen zijn te voorkomen door voedsters, liefst rond de leeftijd van 6 maanden, te laten castreren.
Benodigde ervaring
Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Toch zijn konijnen geen heel gemakkelijke huisdieren. Ze zijn vrij gevoelig zijn voor voedingsfouten, hebben veel ruimte nodig en als prooidier laten ze het niet snel zien als er iets aan de hand is. Kennis van normaal konijnengedrag is daarom belangrijk. Zorg ervoor dat u zich vooraf goed informeert en dat u weet waar u op moet letten om uw konijnen gezond te houden.
Aanschaf en kosten van een konijn
Als u konijnen gaat kopen, let dan op dat de dieren er gezond uitzien. De ogen, neus en pootjes moeten schoon zijn, het konijn mag niet niezen of hoorbaar ademen en ook de vacht, de onderkant van de staart en de anus moeten schoon zijn. Let op de keutels die in het hok liggen en kijk of die voldoende groot, droog en vezelig zijn. Wettelijk mogen konijnen vanaf een leeftijd van zes weken naar een nieuwe eigenaar. Wat later is beter, omdat de jonge konijntjes dan minder kwetsbaar zijn. Lees ook het document over ‘De aanschaf van konijnen’ op onze website.
U kunt konijnen kopen bij een fokker of dierenspeciaalzaak, maar er zijn ook konijnen van allerlei rassen en leeftijden te vinden bij asielen of een konijnen- en knaagdierenopvang. De gemiddelde aanschafprijs van een konijn ligt tussen 25 en 80 euro. Dit is mede afhankelijk van het ras. Daarbij zullen nog kosten van castratie komen: voor een ram van ongeveer 2 kilo al snel zo’n 115 euro (prijsniveau 2025) en voor voedsters ongeveer het dubbele. Rammen uit de opvang zijn vaak wat duurder maar zijn bijna altijd al gecastreerd, waardoor u uiteindelijk vaak goedkoper uit bent. Ook kunt u in de opvang soms al gecastreerde voedsters vinden en al gekoppelde stelletjes.
Bij konijnen zijn de jaarlijks terugkerende kosten en de kosten voor het verblijf flink hoger dan de aanschafkosten van de dieren zelf. De prijs van een konijnenverblijf varieert, afhankelijk van waar u voor kiest. Voor een binnenverblijf voor twee dwergkonijnen, bestaand uit een grote losloopruimte omheind met renhekken, met een stuk vinyl als ondergrond plus inrichting, bent u minimaal 400 euro kwijt. Een flink formaat buitenhok met grote ren is aanzienlijk duurder.
Terugkerende kosten kunnen aardig oplopen, mede afhankelijk van uw eigen keuzes en manier van huisvesten. Bodembedekking zoals hout- of strokorrels of hennepvezel en stro varieert in prijs maar komt gemiddeld op ruim 15 euro per maand voor twee konijnen. Biks kost zo’n 4-10 euro per kilo, voor hooi betaalt u tot enkele euro’s per kilo, groenteprijzen variëren. Deze kosten zijn mede afhankelijk van het formaat van de verpakking én het formaat van uw konijnen, maar reken op voerkosten van ruim 50 euro per maand voor twee kleine konijnen.
Houd er rekening mee dat u met uw konijnen naar de dierenarts zult moeten gaan. Daarbij zijn de jaarlijkse entingen een vaste kostenpost, maar daarnaast kunt u onverwachte kosten hebben als uw konijnen ziek worden. Omdat u met een ziek konijn soms op korte termijn naar een dierenarts moet, kunnen deze kosten hoger zijn vanwege avond- of weekendtarief.
Aandachtspunten
- Sommige konijnen, vaak mannetjes maar soms ook vrouwtjes, ‘sproeien’, ofwel spuiten urine. Na castratie stopt dit meestal.
- Een konijn en een cavia samen houden is niet aan te raden. Ze begrijpen elkaar niet, het konijn kan de cavia verwonden, ze hebben beide ander voer nodig en soms eet de cavia aan de vacht van het konijn. Konijnen kunnen bovendien de bacterie Bordetella bij zich dragen, waardoor de cavia ziek kan worden. Geef uw konijn een soortgenoot als gezelschap!
- Zie deze foto's om een inschatting te maken van hoe groot een konijntje wordt en hoe oud een jong konijntje is.
Bronnen
De informatie in deze huisdierenbijsluiter is mede gebaseerd op de bronnen die u hier vindt.
