Sluiten

Kousenbandslang

De meeste kousenbandslangen zijn dagactieve slangen. Ze zien er mooi uit en ze zijn in het algemeen actiever dan veel andere slangensoorten. Veel nakweek Thamnophis soorten zijn geschikt voor een beginnende reptielenhouder.

Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de kousenbandslang het huisdier is dat u zoekt.

Algemeen

Het geslacht Thamnophis dankt zijn Nederlandse naam aan de lengtestrepen die lijken op een kousenband. Kousenbandslangen hebben maximaal drie van die strepen: één rugstreep en twee zijstrepen. Soms ontbreekt alleen de rugstreep, soms ontbreken beide zijstrepen en soms ontbreken zelfs alle strepen. De kleur van de strepen is heel divers: wit, geel, rood, oranje, bruin en zelfs groenige en blauwige tinten komen voor. Ook de achtergrondkleur is variabel: felgeel, grijs, donkerbruin en diepzwart worden gezien. In deze achtergrondkleur zijn vaak stippen en vlekken aanwezig. Hierdoor ontstaat een gespikkeld, gestreept of gevlekt patroon, soms zelfs een dambordpatroon. De ogen zijn groot en hebben een ronde pupil.

Kousenbandslangen kunnen in gevangenschap tien jaar oud worden. De gemiddelde levensduur is ongeveer zes jaar.

Verschillende varianten

Er zijn inmiddels bijna dertig soorten kousenbandslangen beschreven, waarvan vele ook nog eens meerdere ondersoorten kennen. Het onderscheid tussen deze soorten en ondersoorten is zelfs voor de expert vaak moeilijk te maken.

De volgende soorten zijn zeker goed in een terrarium te houden: Thamnophis elegans (T. elegans), T. proximus, T. radix, T. sauritus en T. sirtalis. Deze soorten worden in het algemeen niet langer dan ongeveer een meter en zijn gemiddeld ongeveer 50 tot 80 centimeter lang .

Van nature

Kousenbandslangen komen in het wild voor in grote delen van Noord- en Midden-Amerika; van de oost- tot de westkust en van Costa Rica tot Canada en zelfs het zuidelijke deel van Alaska. De slangen komen in zo’n groot gebied voor doordat ze geen bijzonder specifiek dieet hebben en zich uitstekend aan de omstandigheden kunnen aanpassen. De natuurlijke leefomgeving is dan ook divers: van moerassen, hellingen (tot hoogtes van 2800 meter), kustgebieden en afvoerkanaaltjes tot onbebouwde percelen. Ze leven zowel in vrij droge als ook in natte gebieden, maar meestal wel in de buurt van water of in ieder geval vochtige moerassen.

De meeste kousenbandslangen zijn dagactief. Sommige soorten, zoals  T. proximus en T. sirtalis, zijn zowel dag- als nachtactief. Kousenbandslangen zijn in het algemeen actiever dan de meeste andere als huisdier gehouden slangensoorten. Tijdens de koelere delen van de dag zwerven kousenbandslangen door hun territorium op zoek naar voedsel.

Vanwege hun dagactieve levenswijze hebben kousenbandslangen een relatief goed gezichtsvermogen. Geuren worden waargenomen met de neus en het zogenaamde vomeronasaal orgaan. Het vomeronasaal orgaan bestaat uit een aantal putjes in het dak van de bek. Door de tong worden er geurdeeltjes naartoe gebracht. Ook kunnen kousenbandslangen goed trillingen en kleine warmteverschillen waarnemen. Al deze zintuigen worden ingezet bij de jacht op prooidieren. De kousenbandslang grijpt een prooi met zijn bek en werkt die met kauwende bewegingen in zijn geheel naar binnen. Gifstoffen in het speeksel van de kousenbandslang helpen bij het verlammen van de prooi. Deze gifstoffen zijn ongevaarlijk voor mensen. Bovendien wordt bijten van een mens verhinderd omdat de bek van een kousenbandslang maar klein is, en de giftanden achterin de bek zitten.

Als kousenbandslangen zich bedreigd voelen, zullen ze in het algemeen vluchten. Als vluchten niet mogelijk is zullen ze zich verdedigen: eerst door dreigen en als dat niet helpt door te bijten. Een laatste verdedigingstechniek die kousenbandslangen kunnen aanwenden is het legen van de anaalklieren, waarbij vaak tegelijkertijd ontlasting geloosd wordt. Hierbij komt een zeer onaangename geur vrij.

Alle Thamnophis soorten overwinteren als voorbereiding op de paartijd in grote groepen (tot wel enkele duizenden dieren) in holen in de grond, ieder jaar op dezelfde plek. De trek naar die holen toe, vaak over een grote afstand, begint in de periode september tot november. Tijdens de winterrust, in de paartijd en in de werptijd leven kousenbandslangen in grote groepen op een klein oppervlak, In de zomermaanden leven ze verspreid over een veel groter gebied.  

Huisvesting

Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken.

De meeste Thamnophis-soorten kunnen zowel alleen als in groepen worden gehuisvest. Huisvest T. elegans echter individueel, omdat bij deze soort vaak kannibalisme voorkomt. Ditzelfde geldt voor T. sirtalis.

Het terrarium moet voldoende, goed geplaatste ventilatieopeningen hebben. Vermijd tocht. Kousenbandslangen zijn meesterontsnappers. Let er dus op dat het deksel of de deuren goed sluiten en ventilatieopeningen niet zo groot zijn dat de slang zich erdoor zou kunnen wurmen of erin klem zou kunnen komen te zitten.

De vereiste grootte van het terrarium is afhankelijk van de soort. In het algemeen geldt dat de lengte en de breedte bij elkaar opgeteld groter moet zijn dan de totale lengte van de slang. Een hoogte van 30 tot 50 centimeter is altijd voldoende. Voor groepen zijn meestal grotere terraria nodig; in een terrarium met een grondoppervlak van ongeveer 120 x 60 centimeter kunnen makkelijk zes kleine of drie grote kousenbandslangen gehuisvest worden. Zorg altijd voor voldoende schuilplaatsen. In een terrarium zonder afdoende schuilplaatsen voelen kousenbandslangen, vooral de jongen, zich niet veilig.

Daglichtlampen geven licht dat lijkt op zonlicht. Of de kousenbandslang dit echt nodig heeft is niet helemaal duidelijk maar de slangen lijken zich er wel beter bij voort te planten. Het aantal verlichtingsuren per dag moet worden aangepast aan het jaargetijde. ’s Zomers mag de verlichting maximaal veertien uur per dag branden, ’s winters mag de verlichting gedurende enkele weken uitgeschakeld zijn. Zorg voor een geleidelijke overgang tussen deze fasen.
De warmte die de daglichtlampen afgeven kan in combinatie met de warmte van één of twee spotjes of gloeilampen (25 tot 40 Watt) gebruikt worden om het terrarium mee te verwarmen. Let op dat de slangen geen direct contact met de lampen kunnen maken, omdat dit ernstige brandwonden oplevert. Plaats bijvoorbeeld een fijnmazige kooiconstructie om de lamp(en) heen.

Zorg ervoor dat er een temperatuurverloop aanwezig is in het terrarium, bijvoorbeeld door de lampen aan één kant van het terrarium te monteren. Hierdoor kunnen de slangen zelf de gewenste temperatuur kiezen. Ze zullen vaak onder de spotjes gaan liggen om zich op te warmen: op die plek mag de temperatuur overdag dan ook oplopen tot 32 graden Celsius. Leg er een platte steen neer waarop ze kunnen liggen. In de koelste hoek van het terrarium mag de temperatuur dalen tot 22 graden Celsius.

’s Nachts mag de temperatuur in het terrarium dalen tot kamertemperatuur (20 graden Celsius). Vaak kan de verwarming worden uitgeschakeld, maar indien nodig kan voor nachtelijke verwarming een warmtematje onder het terrarium worden gelegd of een rode of blauwe lamp in het terrarium worden geplaatst. Het warmtematje mag maximaal de helft van het bodemoppervlak beslaan, kan ook overdag ingezet worden als bijverwarming en moet ingesteld worden op 18 tot 20 graden Celsius. Laat nooit ’s nachts de gloeilampen of spots branden, want de slang heeft een dag-nachtritme nodig. In de winter kunnen zowel de verlichting als de verwarming geleidelijk uitgeschakeld worden voor de winterrust.

Een ruime waterbak, waar alle slangen tegelijk in kunnen liggen, dient als drink- en badplaats en soms ook als toilet. Soorten die van water houden zoals T. proximus kunnen vaak en urenlang liggen baden, andere soorten zullen slechts af en toe een bad nemen.

Als bodembedekking zijn mos of een mengsel van turfmolm en zand zeer geschikt. Alternatieven zijn kranten of keukenpapier, stofvrij zaagsel, stofvrije kattenbakvulling, schorssnippers en kokosvezel. De belangrijkste voorwaarde voor een goede bodembedekking is dat deze droog is. Een te natte en/of vuile bodembedekking kan leiden tot huidproblemen.

Kousenbandslangen moeten in een relatief droog terrarium worden gehouden. Om de kans op vervellingsproblemen door de droogte klein te houden, is het verstandig om behalve een waterbak ook een plastic bewaarbox met daarin vochtig veenmos (Spaghnum) in het terrarium te plaatsen. Maak een klein gat in het deksel waardoor de slangen gemakkelijk in en uit de box kunnen en zet de box met het deksel erop in het terrarium.  
Veel kousenbandslangen klimmen graag: plaats daarom klimtakken in het terrarium en eventueel robuuste (kunst)planten. In de achterwand van het terrarium kunnen plateaus worden gemaakt waarop de dieren kunnen liggen.

Verder moet het terrarium zijn voorzien van tenminste twee schuilplaatsen; één in het warme en één in het koele deel van het terrarium. De schuilplaatsen hoeven niet zo groot te zijn, slangen liggen graag een beetje klem als ze zich verschuilen.

Sommige Thamnophis-soorten, bijvoorbeeld T. elegans, kunnen in Nederland een groot deel of zelfs het gehele jaar buiten worden gehuisvest. Als u uw kousenbandslangen buiten wilt huisvesten, laat u dan informeren door iemand die hier ervaring mee heeft.

Winterrust

De winterrust is een natuurlijk verschijnsel en is daarom aan te bevelen, ook als u niet met de dieren wilt kweken. Voorafgaand aan kweek is een winterrust van vier tot twaalf weken (november tot maximaal begin maart) noodzakelijk.

De voorbereiding voor de winterrust neemt minimaal twee weken in beslag en bestaat uit het geleidelijk afbouwen van de verwarming en het aantal uren licht per dag. Voordat de voorbereiding voor de winterrust kan beginnen, moeten de slangen twee weken niet gevoerd zijn. Vervolgens mag tot vlak na het einde van de winterrust niet meer gevoerd worden.

Een week na het uitschakelen van de verwarming en de verlichting in het terrarium kunnen de slangen overgebracht worden naar hun winteronderkomen. Dat winteronderkomen moet staan op een koele (temperatuur onder tien graden Celsius) maar vorstvrije plek. Noordelijke soorten kunnen eventueel overwinteren in de koelkast. Laat u hierover informeren door iemand met ervaring.

In hun winteronderkomen moet een dikke laag bodembedekking aanwezig zijn, omdat de dieren zich erin ingraven. Bevochtig ongeveer één keer per week het oppervlak van de bodembedekking licht met een plantenspuit. Op de binnenkant van het deksel moet condens aanwezig zijn: is dit niet het geval, sproei dan vaker. Controleer bij het openen van de bak voor het sproeien altijd ook even de slangen. De dieren moeten altijd beschikken over drinkwater, maar mogen tijdens de winterrust niet gevoerd worden.

Stel bij dieren die aan het vervellen zijn de winterrust uit tot na de vervelling. Jongen die in de zomer van hetzelfde jaar geboren zijn en zich goed hebben ontwikkeld, kunnen prima de winterrust doorstaan. Jongen die slecht ontwikkeld zijn of die in de herfst geboren zijn, kunnen beter warm gehouden en gewoon doorgevoerd worden. Datzelfde geldt voor drachtige vrouwtjes met duidelijk voelbare embryo’s of follikels (“eieren”).

In het voorjaar kunnen de slangen weer overgebracht worden naar het terrarium en kunnen de temperatuur en verlichting weer geleidelijk teruggebracht worden naar het normale niveau. Vaak hebben de dieren dorst; wanneer de dieren goed hebben gedronken en de temperatuur op peil is, kan voer worden aangeboden. Meestal zullen de dieren echter voedsel weigeren tot na de eerste vervelling.

Verzorgen en hanteren

Controleer iedere dag de vochtigheid en temperatuur in het terrarium. Vervang dagelijks het water in de waterschaal door schoon lauw water en verwijder daarbij tegelijkertijd niet-opgegeten voedsel en ontlasting uit het terrarium.

Gemiddeld eens per maand moet het hele terrarium leeggehaald en in zijn geheel schoongemaakt worden, inclusief volledige vervanging van de bodembedekking. Kranten gebruikt als bodembedekking moeten vaker vervangen worden. Was alle inrichtingsmaterialen af met heet water. Doe dit in een emmer die vervolgens uitsluitend nog gebruikt wordt bij het schoonmaken van het terrarium. Zo voorkomt u dat ziekten worden overgebracht op mensen, en dat ziekten worden uitgewisseld tussen verschillende dieren. Als desinfectie van het terrarium en de inrichting nodig is, gebruik dan een goed desinfectans, spoel goed na en droog vervolgens alles goed af. Goede desinfectiemiddelen zijn verkrijgbaar bij uw dierenarts of dierenspeciaalzaak.

Kousenbandslangen kunnen opgepakt worden door ze halverwege het lichaam voorzichtig maar zonder aarzeling vast te pakken. Geef ze vervolgens steun door de slang op uw handen/armen te zetten. Laat de slang zijn eigen weg gaan, maar zorg er altijd voor dat u de slang net achter de kop kunt beetpakken wanneer hij/zij een ongewenste richting uit gaat. Slangen vinden het doorgaans niet erg prettig om gehanteerd te worden.

Om de kans op beten te verkleinen, is het verstandig te zorgen dat u niet naar prooi ruikt als u de slang gaat hanteren. Dieren die al wat langer in gevangenschap worden gehouden, bijten zelden, ze zullen eerder hun anaalklieren legen. Drachtige dieren, dieren in winterrust en dieren die bij een te lage temperatuur worden gehouden zijn sneller geneigd te bijten. Houd slangen vanwege het risico op beten nooit in de buurt van uw gezicht. Als u gebeten wordt en de slang niet loslaat, wat gelukkig zeer zelden gebeurt, moet u de slang net achter de kop beetpakken en de kop naar voren, dus in de richting van uw huid duwen. Op die manier komen de naar achteren gerichte tanden los uit uw huid.

Reptielen kunnen drager zijn van Salmonella-soorten en andere ziekteverwekkers die voor mensen potentieel gevaarlijk zijn.  Was na het verzorgen, voeren, hanteren van uw kousenbandslang en/of  het schoonmaken van het terrarium daarom altijd direct uw handen met warm water en zeep gedurende tenminste 30 seconden.
Laat kinderen nooit alleen met deze dieren.

Voeding

Kousenbandslangen zijn net als alle andere slangen carnivoren (vleeseters). In de natuur eten ze vrijwel alle dieren die ze kunnen overmeesteren, zoals naaktslakken, regenwormen, kleine hagedissen, amfibieën, vogels, vissen en knaagdieren.

In gevangenschap kunnen kousenbandslangen gevoerd worden met pinkies (nestmuizen zonder haar en met gesloten ogen), vis, regenwormen en naaktslakken. Deze prooien kunnen zowel dood (in stukjes) als levend (mits niet te groot) worden aangeboden. Pinkies en vis kunt u kopen in de reptielenspeciaalzaak, meestal als diepvriesproduct. Regenwormen en naaktslakken kunt u zelf vangen. Let er wel op dat u deze vangt op een plek waar geen gif is gebruikt. Als aanvulling kunt u ook vleesbijproducten (bijvoorbeeld hart) en/of kattenvoer geven.  Filetvlees zoals hart mag echter geen hoofdbestanddeel van de voeding vormen.

Bij een dieet van uitsluitend vis, moet u nagaan of de gevoerde vissoort thiaminase bevat. Thiaminase is een enzym dat in veel vissoorten voorkomt en vitamine B1 afbreekt. In het bijzonder bevatten zoetwaterspiering, kabeljauw, grijze harder en bandeng veel thiaminase, maar het enzym wordt ook aangetroffen in bijvoorbeeld voorntjes en goudvissen. Vermijd indien mogelijk thiaminase bevattende vis. Zorg er voor dat er geen grote stukken graat in de vis(reepjes) zitten, maar breek de graat in kleine stukjes om beschadigingen van het darmkanaal te voorkomen. Vette vis mag slechts in geringe mate en bij voorkeur alleen vers aangeboden worden.

Een gevarieerd dieet van verschillende prooidiersoorten is meestal compleet en hoeft dus niet aangevuld te worden met vitaminen en mineralen. Dit geldt niet voor een dieet van uitsluitend pinkies, opmdat deze te weinig calcium bevatten. Vis dient altijd met een preparaat dat vitamine B1 bevat, bepoederd te worden. Als u vitamine- en mineralenpreparaten wilt gaan geven, overleg dan altijd nut, noodzaak en dosering met een dierenarts of iemand met veel terrariumervaring.

Zoals alle slangen kunnen ook kousenbandslangen langere tijd zonder voedsel overleven; zo eten kousenbandslangen van nature meestal niet aan het einde van de dracht en tijdens de winterrust. Als uw slang onder andere omstandigheden stopt met eten, is het van belang erop te letten of de slang afvalt of de conditie achteruitgaat. Raadpleeg bij twijfel over de gezondheid van het dier altijd een dierenarts.

Pasgeboren jongen kunnen goed gevoerd worden met kleine (stukjes) vis, naaktslakken en/of regenwormen in stukjes. De eerste maaltijd kunt u een dag na de eerste vervelling aanbieden. Volwassen kousenbandslangen kunt u één keer per week voeren. Jongen kunnen eens in de twee à drie dagen gevoerd worden. Verlaag de voerfrequentie geleidelijk tot die voor volwassen kousenbandslangen.

In principe kan het voer op een schaaltje in het terrarium worden gezet, maar het individueel voeren van alle slangen met een voertang heeft de voorkeur. Zo weet u precies welke slangen wel en welke niet hebben gegeten en krijgt iedere slang zijn deel. Ook hebben ze zo niet de mogelijkheid alleen de lekkerste dingen te eten en is het risico op voerconflicten zeer klein.

Zorg ervoor dat bevroren prooidieren goed ontdooid zijn voordat u ze voert. Dit kan in de koelkast of in een zakje in warm water. Ontdooi prooidieren nooit in de magnetron. Dit verandert de samenstelling van het vlees en verhoogt het risico op snel bederf waardoor uw slang ziek kan worden.

Voer met een voedertang of pincet, nooit met de blote hand! U kunt de interesse van de slang voor een dode prooi wekken door de prooi voor de neus van de slang heen en weer te bewegen. Het kan een goed idee zijn om uw slang in een andere bak dan zijn of haar terrarium te voeren. De slang zal dan de andere bak in plaats van het terrarium in verband brengen met voedsel, waardoor de kans dat uw hand wordt aangezien voor een prooi als u de slang uit het terrarium wilt pakken afneemt. Ook kunt u dan goed zien of het eetpatroon van uw slang normaal is.

Voortplanting

Mannelijke kousenbandslangen zijn in het algemeen kleiner dan vrouwtjes en hebben een relatief langere staart.  Ook hebben mannetjes een bredere staartbasis: het lichaam van het vrouwtje wordt achter de cloaca abrupt iets smaller, bij mannetjes is de breedte van dit gebied even groot als het voorste deel of zelfs breder. Door inwendig onderzoek (sonderen van de hemipenis-zakjes) door een deskundige kan bijna altijd correct bepaald worden wat het geslacht van uw slang is.

Kousenbandslangen zijn geslachtsrijp op een leeftijd van ongeveer twee jaar. Kort na de opwarming in het voorjaar en uiterlijk na de eerste vervelling na de winterrust worden de slangen paringsbereid.  Kousenbandslangen planten zich één tot twee keer per jaar voort. Het vrouwtje is in staat om een deel van het zaad van de paring op te slaan. Tot soms wel drie jaar later kan het vrouwtje zich nog bevruchten met opgeslagen sperma.

Drachtige vrouwtjes worden snel dikker en de jongen zijn vanaf ongeveer een maand dracht halverwege de lengte van de slang en later steeds verder in de richting van de staart voelbaar. Het vrouwtje gaat meer eten en blijft in ieder geval de eerste helft van de dracht eten. Hoogdrachtige vrouwtjes moeten individueel gehuisvest te worden om ze zoveel mogelijk rust te geven. De dracht duurt bij kousenbandslangen gemiddeld ongeveer 60 tot 90 dagen, maar afhankelijk van de soort en de weersomstandigheden kan dit korter of langer zijn. Bij T. elegans zijn zelfs drachten met een duur van 120 tot 150 dagen beschreven.

Kousenbandslangen zijn ovovivipaar. Dat wil zeggen dat de jongen hun volledige ontwikkeling doormaken in het lichaam van de moeder. De jongen worden geboren in een ei zonder kalkschaal. Zodra het vrouwtje de eieren heeft gelegd, doorbreken de jongen direct het eivlies.

De worpgrootte is afhankelijk van de soort en de grootte en leeftijd van het vrouwtje, maar is meestal 5 tot 35 jongen. Direct na het uitkomen, zoeken de jongen een veilig heenkomen. Haal ze zo snel mogelijk uit het terrarium om te voorkomen dat ze worden opgegeten door de moeder of door andere hokgenoten.

De eerste vervelling vindt in de regel binnen één tot drie uur na de geboorte plaats. Eén tot twee dagen na de vervelling, soms later, eten de jongen hun eerste maaltijd. De kleur en de tekening van de jongen komt overeen met die van volwassen slangen, maar later worden de kleuren in het algemeen donkerder. De pasgeboren slangen zijn afhankelijk van de soort, grootte van de moeder en de worpgrootte ongeveer 10 tot 25 centimeter lang.

Ziekten en aandoeningen

Zoek een in reptielen gespecialiseerde dierenarts vóórdat u een reptiel koopt en laat uw slang na aankoop door de dierenarts controleren. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar in- en uitwendige parasieten. Neem zo vers mogelijke ontlasting van uw slang mee. Om infecties te voorkomen is het verstandig nieuw aangekochte slangen eerst vier tot twaalf weken in quarantaine te plaatsen.

Aangeboren aandoeningen die regelmatig voorkomen bij kousenbandslangen zijn een kronkel in de ruggengraat, onderontwikkelde kaken, dubbelkoppigheid, een waterhoofd en het ontbreken van meerdere buikschubben. Met slangen die dergelijke afwijkingen vertonen mag nooit gekweekt worden.

Vitamine B tekort door teveel thiaminase in de voeding is herkenbaar aan ongecoördineerde bewegingen, krampen en het krampachtig achterover strekken van de kop. Alleen tussenkomst van een dierenarts kan het dier in die situatie redden.

Een calciumtekort tijdens de dracht, verkeerde omstandigheden in het terrarium en stress door andere slangen kunnen bij een vrouwtje leiden tot legnood.

Voorkomende huidproblemen zijn (brand- en bijt)wonden. Ook problemen met de vervelling komen voor, maar minder vaak dan bij sommige andere slangensoorten.

Andere veel voorkomende aandoeningen bij kousenbandslangen zijn Ophionyssus natricis (slangenmijt/bloedmijt), mondrot en parasitaire aandoeningen zoals zuig- en rondwormen, Entamoeba invadens of een Salmonella-infectie.

Mogelijke symptomen die wijzen op ziekte bij een slang zijn vervellingsproblemen, bleke slijmvliezen, verlies van eetlust, braken, vermageren, afwijkende ontlasting, veel drinken, sloomheid en verzwakking. Neem bij zieke slangen altijd strikte hygiënemaatregelen in acht. Beperk hanteren tot een minimum, zorg dat er één volwassene is die de slang verzorgt, was en ontsmet uw handen na contact met de slang of het terrarium, gebruik eventueel wegwerphandschoenen, enzovoort. Neem altijd contact op met een dierenarts wanneer u denkt dat uw dier iets mankeert.

Benodigde ervaring

Thamnophis-soorten die al jarenlang succesvol in gevangenschap gekweekt worden en geen bijzondere voedingseisen hebben zijn relatief eenvoudig te houden en zijn daarom ook geschikt voor de beginnende reptielenhouder. Laat u wel altijd goed informeren voordat u een kousenbandslang aanschaft. Bedenk van tevoren dat bij de verzorging van kousenbandslangen relatief veel tijd gaat zitten in het schoonmaken van het terrarium.

Aanschaf en kosten

Kies bij aanschaf bij voorkeur voor jonge nakweekdieren. Wildvangdieren zijn vaak besmet met (in- en/of uitwendige) parasieten, dragen regelmatig ziekten bij zich en zijn erg gevoelig voor stress. Daarnaast zijn er ethische overwegingen om te besluiten om te kiezen voor in gevangenschap geboren dieren in plaats van voordieren die uit het wild gevangen zijn.

Let op of de slang die u wilt aanschaffen een gave huid, heldere ogen, een schone neus, bek en cloaca heeft en geen verschijnselen van ademhalingsproblemen (met de bek open en/of piepend ademen, belletjes rond de neusgaten) vertoont. Kies een slang die alert en nieuwsgierig is (tongelen) en in een goede voedingstoestand. Laat de slang de eerste drie dagen na aanschaf zoveel mogelijk met rust (niet hanteren, niet voeren) om hem of haar even te laten wennen. Observeer wel het gedrag, de ademhaling, de ontlasting en het uiterlijk van de slang.

Kousenbandslangen zijn te koop vanaf enkele tientallen euro’s. Terraria kosten in het algemeen enkele honderden euro’s. Pinkies zijn te koop vanaf ongeveer minder dan één euro. De prijzen van vis en andere voedingsbestanddelen zijn erg variabel, maar doorgaans niet hoog. Houd naast de kosten voor de aanschaf en verzorging ook rekening met eventuele dierenartskosten.